Dear visitor, we’re working on a new website. Coming soon!

projects books text cv publications contact
[ back ]

Interview Hans van Houwelingen Kunstbeeld december/januari 2002/2003


"Het is mijn taak om compromisloos te zijn"

De verantwoordelijkheid van Hans van Houwelingen

In de Utrechtse Rivierenbuurt liet Hans van Houwelingen een immens oosters tapijt van bakstenen aanleggen. In het Amsterdamse Kleine Gartmanplantsoen kruipen 40 bronzen hagedissen uit een put en in Hamburg wilde hij tussen twee oorlogsmonumenten de aarde laten schudden. In de afgelopen tien jaar heeft Hans van Houwelingen vele kunstwerken bedacht en - zoals in de twee eerste voorbeelden -gerealiseerd. Er valt echter nauwelijks een handschrift uit de uiteenlopende projecten te destilleren of het moet de wijze zijn waarop de werken tot stand komen. Dat gaat bij de eigenzinnige Van Houwelingen nooit zonder slag of stoot. Eindeloze discussies - twee jaar is geen ongebruikelijke termijn - met kunstcommissies, ambtenaren, B&W en andere betrokkenen gaan eraan vooraf. Zo ook bij zijn dit najaar gereed gekomen ‘Zuil van Lely' in Lelystad. Een gesprek met een kunstenaar die kunst én stad serieus neemt.


In het kader van een nieuw stedenbouwkundig masterplan dat Adriaan Geuze van het Rotterdamse architectenbureau West 8 voor het Lelystad ontwikkeld, kreeg Van Houwelingen (1957) drie jaar geleden het verzoek een kunstwerk te maken voor de winkelstraat die station en centrum in Lelystad met elkaar verbindt. Van Houwelingen kwam tot de conclusie dat deze stad echter een grote uitspraak op een andere plek moest doen.
"Nadat ik over Lelystad gelezen had zag ik hoe weinig er van de oorspronkelijke plannen van architect/stedenbouwkundige Van Eesteren uit de jaren vijftig terecht was gekomen. In dit modernistische model zouden verschillende stadsdelen zich als spanningsvelden tot elkaar verhouden. Het centrum van Lelystad ontbeert echter iedere spanning. Het is, net als vele andere kleine Nederlandse steden, een amalgaam decor van winkelketens.
Ik kon ik de bestuurders er van overtuigen dat kunst de mogelijkheid biedt om de stad herkenbaar te maken en de nivellering van het stadsbeeld tegen te gaan. Maar dat gaat alleen als je een groots gebaar durft te maken". Een gebaar waarmee je uitspreekt te breken met je oorspronkelijke erfgoed en een nieuwe weg te willen inslaan.
Dat grootse gebaar bestaat in de hoofdstad van Flevoland uit een 32 meter hoge zuil van basaltblokken op het Stadhuisplein in het centrum. Daar bovenop plaatste Van Houwelingen het beeld van ingenieur Cornelis Lely dat daarvoor op de Agorahof in Lelystad stond. Dit bronzen beeld werd in 1984 gemaakt door Piet Esser, voormalig professor in de beeldhouwkunst aan de Amsterdamse Rijksacademie.  Ik wilde een nieuwe toekomst van de stad inluiden met het opnieuw leven inblazen van Lely's monument. Wat is er nou mooier dan deze ingenieur over zijn eigen creatie uit te laten kijken?"
Drie jaar duurde het getouwtrek voordat afgelopen najaar de ‘Zuil van Lely' stond. Het geheel zorgde voor de nodige commotie. Niet alleen bij een groot deel van de bevolking, die er met afschuw over sprak, maar ook bij Piet Esser. Die weigerde uiteindelijk toch om zijn beeld definitief op de hoge zuil te laten staan. "Ik had niet gedacht dat het zover zou komen. Ik had verwacht dat hij genereus zou zijn en als een soort grootvader tegen zijn kleinzoon zou zeggen, ook al zie ik het anders, mijn zegen heb je. Maar helaas, hij koos voor zijn eigen standpunt. Nu is het de taak van de gemeente ervoor te zorgen dat er alsnog een goed beeld op de zuil komt te staan. Het zal alleen niet meevallen om een beeldhouwer te vinden die een beeld van ingenieur Lely kan maken dat op die hoogte de juiste kwaliteiten heeft".
Ondanks de kritiek op de Zuil van Lely is Van Houwelingen ervan overtuigd dat zijn kunstwerk goed is. "Ik zie het als mijn taak en verantwoordelijkheid iets te doen in de stad dat bij die stad past, dat wat nodig is. De openbare ruimte is geen tentoonstellingsplek. Maar het is natuurlijk buitengewoon arrogant om te beweren dat iets goed is voor de stad terwijl de bevolking er op dat moment helemaal niet van gediend is. Ik weet echter zeker dat, als je daar over vijf jaar terugkomt, dan blijkt dat het beeld werkt en iedereen er tevreden over is. Vergelijk het met een architect die een deur in een huis heeft getekend. De architect weet dat de toekomstige bewoner later spijt krijgt als die deur op diens verzoek een andere plaats zou krijgen. De meeste mensen vergeten tegenwoordig dat een kunstenaar een vakman is. Laat het aan hem over, want kunst gaat niet alleen over smaak".

Ouderwets
Van Houwelingen heeft het vak in Groningen en Amsterdam geleerd. Aan de Groningse Minerva Academie genoot hij zes jaar lang een traditionele beeldhouwopleiding. Ondanks het feit dat hem daar werd afgeraden om de Documenta te bezoeken - dat zou verwarring opleveren - heeft hij de opleiding met plezier afgerond. "Achteraf ben ik er zeer dankbaar voor. Ik heb er niet alleen veel technische kennis en vaardigheden opgedaan, ik heb er ook leren kijken. Als ik een tuincentrum binnenstap, dan zie ik dat die fontein met die kopie van de Venus van Milo niet deugt. Van de echte krijg ik kippenvel. Daar ben ik blij om". Na de Groningse periode volgde Van Houwelingen drie jaar de Rijksacademie in Amsterdam. Daar leerde hij collega's als Berend Strik en Paul Perry kennen. Met hen en enkele anderen startte hij eind jaren tachtig het kunstenaarscollectief Capital Gains. Naar eigen zeggen de intelligente tegenhanger van de groep After Nature.
Met zijn komst naar de hoofdstad werd Van Houwelingens werk conceptueler. Hoe langer hij echter deel uitmaakte van het kunstcircuit, des te meer gingen de conventies en de premissen ervan hem tegen staan. Begin jaren negentig koos hij voor de straat.
"Tegenwoordig praten we over kunst in de openbare ruimte. Ik haat die term, hij is ouderwets en stigmatiseert. Je zegt toch ook niet dat je  ‘kunst in het museum' maakt of ‘kunst in de huiskamer'.
Engagement is tegenwoordig geen vies woord meer. Voor Van Houwelingen bestaat er geen onderscheid tussen autonoom zijn of geëngageerd. "Ook een autonoom kunstenaar probeert anderen te overtuigen van zijn ideeën. Autonomie wordt echter vaak verward met autisme, te veel de kunstenaar trekken zich terug, wachten maar af en zeggen niets.
"Een kunstenaar moet zich niet te gedienstig opstellen. Het is mijn taak om compromisloos te zijn. Dat is de enige manier om nivellering in de kunst tegen te gaan. Als je je op de stad en de straat richt, betekent dat niet dat je populistische antwoorden moet geven. Laatst werd ik gebeld door de deelraad van de Baarsjes. Zij hadden mijn hagedissen op het Klein Gartmanplein gezien en vroegen of ik voor hen pinguïns wilde maken. Zo'n verzoek is even lachwekkend als triest."
Dat er toch regelmatig beelden in de stad komen te staan, waarvan je je afvraagt wat ze daar doen, heeft te maken met ons systeem. Zo speelt in de optiek van Van Houwelingen de sociale component nog steeds een grote rol. Het eerlijk en gelijkmatig verdelen van kunstgeld heeft niets te maken met kiezen voor goede kunst. Instellingen als de Mondriaanstichting, SKOR en Stroom hcbk vervullen inmiddels een centrale rol als het gaat om kunst buiten de musea. Zij brengen veel voordelen, maar volgens Van Houwelingen moeten we oppassen dat de criteria die zij hanteren niet steeds dezelfde blijven. "Ze zeven de rommel eruit, maar bepalen tevens de norm".
Ook heeft hij geen fiducie in de vele gemeentelijke kunstcommissies. Ze zijn een speelbal van de politiek, omdat ze slechts een adviserende rol hebben. Het zou volgens Van Houwelingen een verbetering zijn als die kunstcommissies zouden verdwijnen óf daadwerkelijk politieke macht zouden krijgen. De meeste politici zien kunst als een electoraal middeltje. Een gemeentelijke kunstadviescommissie werkt dat in de hand.
"In Lelystad heb ik geluk gehad. Zij hadden het onafhankelijke bemiddelingbureau Kunst en Bedrijf ingeschakeld, waardoor meteen duidelijk werd wat het gewicht was van mijn ontwerp. De wethouder ging voor dit kunstwerk staan en is niet voor een beetje tegenwind door de knieën gegaan. Dat is zeldzaam, ik waardeer dat enorm".


Onorthodox
Dat Van Houwelingen een onorthodoxe aanpak niet schuwt, blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat hij in therapie ging om een beeld te realiseren. "Toen ik me in 1992 aan het oriënteren was voor mijn project bij het RIAGG in de Utrechtse wijk Lunetten, zag ik in hun brochure dat zij psychotherapie aanboden van 5 of 6 sessies. Ik heb altijd gedacht dat zoiets jaren duurde, dus heb ik me aangemeld voor een behandeling. Zo konden zij kennis maken met mij en met mijn manier van denken en doen. Tegelijkertijd leerde ik hen vanuit hun eigen praktijk kennen. Dat bevorderde de communicatie toen we het vervolgens gingen hebben over een beeld voor hun nieuwbouw".
Ook in zijn nieuwste project, een beeld voor het Petuelpark in München, klinkt het onorthodoxe en onverwachte door. Door de ondertunneling van een drukke ringweg is er plek voor een park ontstaan. Samen met kunstenaars als Harald Klingelhöller, Barbara Bloom en Rodney Graham is Van Houwelingen uitgenodigd daar een beeld voor te maken.
Wat hem tijdens zijn oriëntatie trof, waren een aantal rondom het park gelegen katholieke kerken. Verschillende geloofsgemeenschappen, die door de snelweg fysiek van elkaar gescheiden waren hadden nooit contact met elkaar gehad. Bij een stroompje in het park gaat Van Houwelingen een marmeren Maria Quelle des Lebens plaatsen. "Het is een Maria in bad, er stroomt water uit haar hand, heel pathetisch." Met medewerking van de pastoor van de Sankt Georgkirche, heeft hij ervoor gezorgd het beeld in de liturgie wordt opgenomen, een jaarlijkse na-Pasen processie zal er telkens eindigen. Om de hereniging van de verschillende geloofsgemeenschappen te vieren, zullen verschillende parochies daaraan deelnemen.
"Het zegt denk ik heel veel over de context van die plek.
De andere kunstwerken bevestigen het ontstaan van een seculiere ruimte temidden van een katholieke omgeving. Ik wil deze ruimte herritualiseren"




Met zijn onconventionele manier van denken en doen loopt Van Houwelingen ook regelmatig tegen muren van onbegrip op. Zelfs projecten die eerst enthousiast worden ontvangen, werden soms in een vergevorderd stadium alsnog afgeblazen. Zoals bij het project voor verzekeraar OHRA (1997). Als antwoord op het verzoek van de verzekeraar om een kunstcollectie op te zetten voor hun nieuwe hoofdgebouw in Arnhem, bedacht Van Houwelingen een ondergrondse ruimte waar zich met enige regelmaat rituelen van over de hele wereld zouden afspelen die te maken hebben met het verschaffen van zekerheid. Dat is immers de essentie van wat een verzekeraar doet. De kunstcollectie zou bestaan uit de residuen van de opgevoerde rituelen. Dat die verwijzen naar verschillende godsdiensten, lag uiteindelijk te gevoelig.
Het beste werk dat Van Houwelingen gerealiseerd heeft, is ‘The Lights' in Arnhem (1997), zo vindt hij zelf. Als je niet zo heel precies kijkt, dan lijkt het of hij alleen maar de Eusebiuskerk heeft uitgelicht. Van Houwelingen vindt het prima als mensen alleen de formele kwaliteiten ervan oppikken. Maar voor de gevorderde kijker valt er meer te beleven. "Loop je van de kerk ‘s avonds het plein op dan schijnen die schijnwerpers vanaf de huizen rondom het plein in je gezicht. Als op een filmset wordt de geschiedenis van die plek weer in herinnering gebracht. De kerk werd tijdens de Tweede Wereldoorlog platgebombardeerd, later hersteld en omringd met armzalige jaren vijftig architectuur. Er is hier heimelijk sprake van een treurspel waarin de verglijdende verhouding tussen kerk en samenleving duidelijk wordt. Was de kerk vroeger het centrum van een gemeenschap, nu maken individuen de dienst uit. Dit kunstwerk is erg subtiel. Het staat niet zo ontzettend zijn best te doen om kunstwerk te zijn. Dat bevalt me wel".

Als geëngageerd kunstenaar mag Van Houwelingen verantwoorde en compromisloze kunst voor de stad maken, hij is realistisch genoeg om te beseffen dat zijn werk de wereld niet zal verbeteren. Zijn drijfveer is bescheiden. "Ik heb bewondering voor die mensen die de wereld aan de praat houden. Dat kan een straatmuzikant zijn, een dichter of een kunstenaar. Zij zorgen er voor dat ik aangenaam bezig gehouden wordt, ze verrijken mijn leven. Bij die club mensen wil ik graag horen".
 

23 oktober 2002
Sandra Spijkerman