Dear visitor, we’re working on a new website. Coming soon!

projects books text cv publications contact
[ back ]

Hans van Houwelingen / Suburban Scenario 6, over kunst en stadsontwikkeling in de toekomstige Randstad Holland

 

Het ideaal van de kunst

De beeldende kunst hult zich gewoonlijk in een retoriek van grenzeloze vrijheid. Haar autonomie wordt in vele toonladders bezongen. Al zolang ik me in dit metier begeef, verbaast het me dat het onuitputtelijk repeterende artistieke discours ten gevolge van die vrijheid, zich binnen volstrekt rigide politieke parameters afspeelt. Kunst en politiek worden beschouwd als afzonderlijke zaken. Tenzij politieke issues gebruikt worden als onderwerp van een kunstwerk, maar dat is niet wat ik bedoel. Mij gaat het in deze tekst om de politiek van de kunst. Het mag bekend zijn dat kunst zich veelal kameleontisch gedraagt, maar het inzicht dat externe condities goeddeels het gezicht van de kunst bepalen, zou ertoe kunnen leiden dat de kunst- als kleinste deelnemer- een betere positie kan innemen in het stedelijke krachtenveld. Hoe is het in onze tijd gesteld met de relatie kunst en stadsontwikkeling? De overheid besteedt geld aan beeldende kunst in de publieke ruimte. Toch is het rendement van die investering ondermaats, laat staan maatgevend. In het licht van een ideaal scenario voor de ontwikkeling van een Nederlandse deltametropool is het opportuun de stand van zaken door te lichten.

 

Ooit bestond er een asociale verhouding tussen de kunst en de wereld. De gebouwen in de stad vroegen om de aandacht van kunstenaars, interieurs vroegen om een inrichting door kunstenaars, de macht vroeg om een representatie door kunstenaars. Kunstenaars beantwoordden die vraag. Ze leerden er voor en werden vaklui, leefden ervan of gingen in armoede ten onder. De beste kunstenaars waren in staat zich evenwel eigenzinnig te uiten, zodat ze retrospectief het gezicht zijn van de kunstgeschiedenis, maar voor de meeste geldt dat niet.  Het volk zag zich omgeven met een weelde aan gebouwen, sculpturen en ornamenten, waarmee de steden waren volgebouwd. Gelovigen konden zich in de kerk laven aan de schitterende weg naar God. Armen konden zich spiegelen aan de rijkdom van de elite, in een overvloedig defilé van hun kunstbezit. In de loop van de achttiende eeuw werd een kunstwerk gaandeweg beschouwd als een middel om het volk te beschaven. Direct of indirect werd het volk nu zelf aangesproken en doelwit van de artistieke boodschap. Uiteraard leidde het ertoe dat er, in navolging van de elite, ook een zucht naar welvaart, rijkdom en macht ging ontstaan. Een beschaafd volk wil zich ook omringen met al het moois en goeds waarmee anderen dat hadden gedaan. En zo, om flink kort door de bocht te gaan, ontstond de Nederlandse sociaal-democratie.

Image

In 1848 kreeg de liberale staatsman Johan Rudolf Thorbecke koning Willem II zover dat hij akkoord ging met de instelling van een parlementaire democratie. Van harte ging dat allemaal niet, want Willem II had er grote moeite mee macht te moeten afstaan, desondanks deed hij dat wel. Dit had tot gevolg dat de kunstenaar, die altijd voor de rijken en de machtigen had gewerkt, zich noodgedwongen tot de nieuwe macht, de democratie, moest gaan verhouden. Op zijn beurt wilde de democratie zich echter niet meer met de kunst bemoeien. Thorbecke wilde de kunst ontzien en vond dat de overheid zich in het geheel niet moest inlaten met het kunstleven. Hierin ligt de kiem van het kwaad, want als de macht zich niet met de kunst bemoeien wil, waartoe moet de kunst zich dan verhouden?

Thorbeckes standpunt betekende aanvankelijk dat de Nederlandse regering geen cent aan kunst wilde besteden. Al beoogde Thorbecke geen staatsbemoeienis met de kunst, het democratisch beginsel maakt dat geenszins een uitgemaakte zaak. Kunstenaars begrepen dat de nieuwe politiek nieuwe mogelijkheden bood. Het kunstenaarsberoep werd een verantwoordelijkheid van de staat. Thorbeckes overtuiging dat het volk de vraag naar kunst zou overnemen van de oude vorsten, was een inschattingsfout. Kunst werd een topproduct van de  verzorgingsstaat. Het werd een probaat middel om de idealen van de moderne wereld uit te dragen en het volk te verheffen. Lange tijd ging dat prima, het modernisme bloeide. Idealen en utopieën hebben echter de eigenschap dat ze voor heel veel mensen zijn bedachten en pas werkzaam als heel veel mensen in ze geloven. Een ideaal betekent dus voor heel veel mensen heel veel van hetzelfde, uniformiteit. Het moderne ideaal werd het opleggen van gelijkvormigheid. De grijze wijken in de steden en de vele uniforme kunstwerken die dat op den duur opleverde lieten de wereld toch ook van een minder glorieuze kant zien. Pragmatisme werd het paradigma in de stedenbouw en de beeldende kunst legde impliciet, maar met name, getuigenis af over een zorgzame overheid, die zijn kunstenaars weliswaar niet in de steek laat, maar die in het product van die kunstenaar in het geheel niet is geïnteresseerd.

Thorbeckes standpunt was inmiddels verbogen tot een legendarisch motto in de nationale kunstgeschiedenis: de overheid verstrekt wel de middelen maar bemoeit zich niet inhoudelijk met de kunst. Deze, op het eerste gezicht fantastische en door velen nog steeds gekoesterde status quo, werd uiteindelijk een spook. Kunst werd een sociaal-politiek glijmiddel, waarbij het kunstwerk er niet toe doet. Vele regelingen zijn er voor kunstenaars in het leven geroepen die ertoe moesten leiden dat een kunstenaar, ongeacht zijn economische irrelevantie, een beroepspraktijk kon uitoefenen. De staat kocht desnoods het werk van zijn kunstenaars en bewaarde het in pakhuizen, een unieke maatregel die tot op heden wereldwijd hilariteit wekt.  Dit soort regelgeving leidde echter tot een onhoudbare situatie, in zowel praktische als ideologische zin. De kunstenaar en de staat belandden in een pandemonium: wie verheft wie? Van het ideaal dat een overheid de kunstenaar in staat stelt het volk te verheffen, dat op zijn beurt de overheid daarvoor waardeert, bleef uiteindelijk niet veel meer over dan dat de kunstenaar door het volk werd gezien als een door de staat onderhouden zonderling. Het modernisme leed aan slijtage. Het opleggen van het ideaal van gelijkheid brengt na verloop van tijd onherroepelijk het gemis aan eigenheid met zich mee. De uniformiteit van het modernistische principe leidt vanzelfsprekend tot een tekort aan identiteit. Heel Nederland voelt dat inmiddels en op vele fronten is het land nu druk in de weer met het zoeken naar identiteit. Er wordt in de beeldende kunst en de architectuur geen opdracht verstrekt waarbij de kwestie identiteit niet als belangrijkste thematiek geldt. Een poosje geleden bleek de gemeente Almere zelfs een vacature te hebben voor een stadsfilosoof die op zoek moet gaan naar de identiteit van de stad.

Er ontwikkelt zich een nieuw bewustzijn op een manier die veel lijkt op het voor uitsterven behoeden van een diersoort. Nederland stelt zichzelf de taak zijn identiteiten opnieuw te definiëren. Op de gouden koets en een handvol gelovigen na heeft het land zijn culturele zuilen verpatst en voor het te laat is moet er worden gered wat er te redden valt. Daarnaast zet een stroom aan buitenlandse culturele invloeden ten gevolge van migratie extra druk op de ketel van de nagenoeg verloren nationale identiteit. Ook de beeldende kunstenaar die zich zo hard had ingespannen voor het ideaal van de gelijkheid heeft rechtsomkeert gemaakt en is een speurhond naar identiteit geworden. Ondanks zijn inhoudelijke breuk met het verleden blijft zijn positie politiek gezien hetzelfde: die van glijmiddel. Ook nu is de overheid niet geïnteresseerd in het kunstwerk, maar in het maatschappelijke effect. De kunstenaar van nu heeft echter niet meer de taak het volk te verheffen maar te plezieren. Het kunstwerk moet vooral leuk zijn voor de mensen en hen tevreden stellen. Leuk doen voor de mensen is inmiddels hét kenmerk van succesvol democratisch bestuur.

Terwijl culturele diversiteit hem voor ogen stond, werd de voormalige staatssecretaris van cultuur, Van der Ploeg, de aangever van deze tendens waarin de culturele koers bepaald wordt door het volk. Het moest maar eens afgelopen zijn met de kunstelite. Na Fortuyn liet het volk zich als nooit tevoren horen en kreeg het een stem die geen politicus meer durft te negeren. Als Nederland nee zegt, is het nee! Een mogelijk discussiepunt of burgers wel in de gelegenheid gesteld moeten worden om, in plaats van specialisten, te bepalen wat goede en slechte kunst is - en dus ook wat gefinancierd mag worden van belastinggeld - is zoekgeraakt in de hedendaagse cultuurpolitiek. De mensen bepalen nu zelf wat kunst voor hen is en daar wordt naar geluisterd. Het hedendaagse kunstwerk krijgt de politieke zegen als het keurmerk van het volk erop is aangebracht.

 

Bijgevolg voelen veel kunstenaars zich in deze tijd geëngageerd met de mensen. Ondanks deze compassie, leidt het niet vaak tot indrukwekkende publieke kunstwerken omdat die altijd gebukt gaan onder een zwaar politiek gewicht. Dat brengt veel gedoe met zich mee en daar is bij alle partijen weinig animo voor. Geheel in lijn is het een goed gebruik bij kunstenaars om zich te schikken in de smalle speelruimte die talloze kunstadviescommissies van hun gemeentes hebben gekregen. Een scenario waarin de kunstenaar zich direct verhoudt tot de macht, die zich omgekeerd ook tot de kunst verhoudt, wordt door niemand serieus genomen.

Veel kunstenaars richten zich daarom op een persoonlijk of sociaal engagement, waarmee de stedelijkheid vanuit intermenselijke verhoudingen wordt bespeeld. Politieke en economische moeilijkheden worden daarmee omzeild, wat op zich niet verkeerd is, maar als stadsontwikkeling laat deze kunst het uiteraard afweten. Anderen zoeken, in een poging het beste uit twee werelden te verenigen, naar interdisciplinaire samenwerkingsverbanden. Echter de wil om samen te werken vraagt meestal van een kunstenaar zich te voegen in de doctrine van de gastheer. Het resultaat van de samenwerking leidt altijd tot een boekje, maar verder dan dat komt het meestal niet. Ook wordt er de laatste jaren valselijk gesuggereerd dat de tijdelijkheid van de kunst en de bescheidenheid van de kunstenaars de juiste ingrediënten zijn om een stad leven in te blazen. Nooit eerder was er sprake van een algemeen geaccepteerde retoriek waarin aan het lulligste kunstwerkje de grootste betekenis voor een stad werd toegekend. Ook die kunstwerken kunnen uiteraard goed zijn, maar ze voldoen niet als antwoord op de talloze artistieke blunders van vorige generaties, die plachten mee te bouwen aan een stad.

Thorbecke is inmiddels geklutst en gemangeld. De hedendaagse invulling van het Thorbecke-credo is dat de kunst zich onttrekt aan de macht uit angst dat zij zich er anders aan zal moeten onderwerpen. Er vindt geen echte dialoog plaats, met als gevolg dat er weinig kans bestaat dat een stad kunst vergaart die werkelijk op het snijvlak met de samenleving bijdraagt aan stedelijke ontwikkeling. Daarentegen worden vele kunstenaars op zoek gezet naar 'identiteit' zonder zich te realiseren dat zij daarmee dienstbaar zijn aan commerciële exploitanten van onze culturele identiteit, of beter gezegd, aan degenen die een goede business vinden in het gemis daaraan. Hen gaat het niet om identiteit die ontstaat ten gevolge van dynamische stedelijke processen door de tijd heen, de genius loci, maar om het simplistisch uitbaten van regionale dromen. Een paar archeologische potscherven of een historische anekdote zijn aanleiding genoeg om toeristen te trekken en een locatie moedwillig te voorzien van identiteit. Misplaatste identiteit weliswaar, maar simpel opgedist en dus succesvol bij het publiek.

Voor de Hollandse handelsgeest is dat een gunstige ontwikkeling. De steun van het volk komt tot uitdrukking in de werking van de markt. Oftewel de markt manifesteert zich als de stem van het volk. Werd voorheen commerciële kunst afgedaan als een inferieur product, nu spreekt er de wil van de mensen uit, en wordt het om die reden ook artistiek geapprecieerd. Uiteraard steunt de overheid deze tendens. Het perspectief van electoraal succes bij afnemende overheidssteun is aantrekkelijk; dubbele winst. Nederland wordt inmiddels gedomineerd door een stroom van populaire kunstvormen die steeds meer in staat zijn zichzelf te bedruipen. Kunstliefhebbers heten nu cultuurconsumenten, die hun geld besteden aan vermaak en ontspanning. Tijdverdrijf is een winstgevende industrie.

Het oude moderne ideaal om iedereen hetzelfde op te leggen heeft plaatsgemaakt voor de markt, waarin het getal aangeeft wat de mensen willen. Cultuur en commercie gaan hand in hand. Themawijken, themaparken, themastreken, ervaringsmusea, mediaparken, musicalhallen, parcourstentoonstellingen, overal doemt het op. Of het nu om gaat om archeologie, geschiedenis, agricultuur, luchtvaart, zeevaart, oorlog, multiculturaliteit of kunst, vrijwel iedere branche herbergt een ervaringsevenement. Een foto bij dit artikel toont de Amsterdamse politie aan het koeknuffelen. Dat is geen grap, maar een serieuze boerenbusiness waarnaar bedrijven als de AMRO bank en de politie hun bedrijfsuitjes organiseren. De rust van een gestreelde koe werkt namelijk heilzaam op de gestresste werknemer. Het cultuurtoerisme heeft toekomst en is goede business.

Image

Zo  zijn alle oude koloniale musea in Nederland inmiddels omgetoverd tot multiculturele centra, waarin het accent niet ligt op de delicate geschiedenis en koloniale pracht, maar op de bezoekersaantallen en gemakzuchtig humanisme. Zo wilde voormalig staatssecretaris van der Laan de rijksmusea laten wedijveren om subsidiegeld. De musea moeten jongeren en allochtonen binnenhalen, die volgens haar niet meer naar levenloze voorwerpen in vitrines willen kijken. Wat de Rijksmusea gaan doen om moslims en Talpakids te interesseren voor de oude vaderlandse christelijke beeldcultuur laat zich raden. Het wordt feest naast de Nachtwacht. Binnenkort verschijnt in Warchau zelfs een ervaringsmuseum in de vorm van een joodse getto uit de 2e wereldoorlog. Na het betalen van de entree kan het gezin zich tegoed doen aan het navoelen van de angstige jood. De vraag of dit drama wel na te voelen is, wordt minder relevant beschouwd dan het succes van het museum. In tegenstelling tot de gebruikelijke documentaire tentoonstelling trekt het moderne ervaringsmuseum veel meer mensen. En zo zijn er talloze voorbeelden.

Maar ook de van oudsher belangrijke podia voor elitaire hedendaagse beeldende kunst onderwerpen zich aan de regels van de ervaringsindustrie.  Behalve het tonen van kunstwerken halen moderne kunstmusea de fraaiste capriolen uit om bezoekers te trekken. Zelfs de koningin treedt tegenwoordig als curator op. Bij de grote internationale kunstmanifestaties schuilt het belang niet meer zozeer in de importantie van de tentoongestelde kunstwerken, maar vooral in de deelname op zich. Er heeft zich een verschuiving voorgedaan waarin de unieke artistieke boodschap zijn prioriteit heeft verloren ten gunste van internationale participatie. Met andere woorden: de kunstcultuur ontwikkelt zich langzaam in een deelnamecultuur. Gaan we bijvoorbeeld niet graag voorbij aan het feit dat het concept van de biënnale van Venetië al lang is uitgewoond, omdat we er na twee jaar ook weer bij willen zijn? Is het niet zo dat de grote beeldende kunstevenementen hun aantrekkingskracht ontlenen aan een nadrukkelijke zelfoverschatting omdat die evenzeer het ego van de kunstliefhebbers streelt? De Kasselklossers, zoals Rudy Fuchs het publiek van Documenta VII als noodzakelijk kwaad typeerde, zijn nu het uitgangspunt. Ook de beginnende kunstenaars is het steeds meer te doen om de status van het opleidingsinstituut; wie op de Rijksacademie studeert doet mee. We willen vooral bij de kunst horen, de ervaring van erbij zijn beleven.

Kortom, het publiek is maatgevend en de markt is het gezicht van de cultuur en de politiek samen. Dat pleziert de overheid omdat marktwerking haar minder kost en ze zich zonder gezichtsverlies terug kan trekken. Thorbeckes overtuiging dat het volk de vraag naar kunst zou overnemen van de vorsten, lijkt na 150 jaar eindelijk gestalte te krijgen. En wat is erop tegen als het goed gaat? Laat de politiek de mensen bijstaan die willen kopen wat ze prettig vinden! Een hand vol cultuurpessimisten daargelaten stemt het blijkbaar tot tevredenheid. Ook beeldende kunstenaars kunnen zich tegoed doen aan de geneugten en de excessen van onze vertiereconomie. Dat ‘het leuk moet zijn voor de mensen’ lijkt een aangenaam cultureel criterium.

 

Maar zoals voetbalfans niet bepalend zijn voor een spannende voetbalwedstrijd, is publiek dat niet voor een geslaagd kunstwerk. Als Nederland na verloop van tijd uit zijn voegen barst van leukheid, wordt de cultuur de democratie vanzelf een beetje zat. Kunstschilder Jorg Immendorf zei onlangs: "Als het volk gaat bepalen wat er in een museum hangt, wat hangt er dan? Afval! Democratie in de kunst is fascisme!" Nationale vertrutting leidt niet tot tevredenheid bij de mensen. Integendeel, het vermaak is ontoereikend om de identiteitscrisis ook maar enigszins te doen afnemen. Alle ervaringsevenementen ten spijt blijft het leven onbeslecht en na verloop van tijd zal alle goedbedoelde artistieke rommel weer moeten worden opgeruimd. Geen stadsfilosoof zal Almere kunnen voorzien van een identiteit als die identiteit niet aanwezig is. Commerciële doekjes voor het bloeden zijn op de lange duur niet toereikend. Almere kampt met een serieus probleem, omdat men de praktijk van een culturele ontwikkeling van de stad heeft onderschat. Het gemis aan cultuur wordt plotseling zichtbaar nu Almere een van Nederlands grootste steden dreigt te worden. Nu pas groeit het besef dat een culturele ontwikkeling van de stad evenzeer belangrijk is als een economische. Cultuur in economische ontwikkeling is een noodzaak, maar ontstaat niet zomaar.

Bij het, voor Nederlandse begrippen, mega bouwproject op de Amsterdamse Zuidas dreigt eenzelfde debacle. De ambitie om, naast het huidige centrum, het tweede stadscentrum van Amsterdam te maken, is niet gering. Uiteraard wordt er bij dit project ook gedacht aan het toepassen van beeldende kunst. Ideële theorie en politieke praktijk hebben elkaar hier Thorbeckiaans de hand gereikt, waardoor zich een ontwikkeling tekent van pure tegenstrijdigheid. In het stedenbouwkundige plan is een paragraaf opgenomen over de wenselijkheid van beeldende kunst in dit gebied en de ambitie waarmee dat gestalte zou moeten krijgen. Op papier liegt dat er niet om: “Wat we met kunst in de openbare ruimte willen is de creatie van een identiteit met een eigen belevingswaarde, die diepgaand oorspronkelijk en niet kopieerbaar is met het doel de bestaande marktpositie van een stad verder uit te diepen en te verbijzonderen, waardoor die unieke positie in de toekomst met nog meer overtuiging kan worden geclaimd. (…) Zo zal er iets nieuws ontstaan, dat inspirerend kan werken voor anderen. Bovendien zal de beeldende kunst in de openbare ruimte op deze manier nieuwe richtingen kunnen inslaan. Men moet dit proces ook beschouwen als een zoeken naar zinvolle en betekenisvolle mogelijkheden, die verleden, heden en toekomst met elkaar verbinden". Er bestaat, zo lijkt het althans, de overtuiging dat er een rol voor beeldende kunst is weggelegd met betrekking tot de identiteit in dit megaproject.

Om ter plekke een boeiend kunstklimaat te realiseren werd in 2003 daarom het virtuele Virtueel Museum Zuidas opgericht. Niet een museumgebouw vol kunstwerken maar een activiteit; de uitvoeringsorganisatie voor een groot aantal beeldende kunstplannen en projecten die in de komende jaren plaats zullen vinden op de Amsterdamse Zuidas. Achter in het boekje dat door het Virtueel Museum werd uitgegeven staat een organogram die de structuur van de macht inzichtelijk maakt. Hoog in de hiërarchie, naast de urban designer, staat de supervisor beeldende kunst, die het Virtueel Museum Zuidas vertegenwoordigt.

In een openbaar debat over de kunst op de Zuidas stak de urban designer de loftrompet over de functie van het Virtueel Museum. Onder vier ogen echter, deed hij verslag van de werkelijke beslissingscultuur waarin de voorstellen van de supervisor beeldende kunst zonder argumentatie, ‘binnen ettelijke seconden’, worden weggewuifd. De supervisor beeldende kunst zou er geen idee van hebben hoe het spel daadwerkelijk wordt gespeeld.

Ondanks het veelbelovende organogram vindt hier geen dialoog plaats, maar dient het in ideëel opzicht mooie Virtueel Museum als een buffer, of beter gezegd een spons, voor fricties tussen theorie en praktijk. De werkelijke macht, die in het geheel niet is geïnteresseerd in democratisch tot stand gekomen artistieke processen, heeft hiermee een goede dekmantel en kan verder zijn gang gaan. Terwijl het Virtueel Museum voor kunstenaars het enige aanspreekpunt is komen de projecten niet of nauwelijks van de grond. Voor een stedelijke ontwikkeling waarbij de kunst een rol moet spelen, is deze constructie contraproductief, het  houdt een confrontatie met de kunst juist buiten de deur. Feit is dat in deze spagaat de toekomst wordt gemaakt.

 

Voor de ontwikkeling van een 'Randstad Holland' is dit voorbeeld een prognose. Het ligt voor de hand dat er zich daar vergelijkbare processen zullen afspelen. Ik werd gevraagd suburban-scenario 6 te schrijven over de rol die de kunst zal spelen in de ontwikkeling van deze toekomstige deltametropool. Het antwoord is: geen. Althans de kunst gaat geen bepalende rol spelen in toekomstige stedelijke ontwikkeling, maar zoals altijd een afhankelijke. Het landschap van de 21e eeuw wordt niet bepaald door kunstenaars, maar door banken, bouwers, en politici. Kunst kan de ontwikkeling van een metropool niet sturen maar is afhankelijk van die macht. Die definieert de ruimte waarin de kunst in pseudo-vrijheid manoeuvreert. Of de kunst een nieuwe rol mag spelen of zijn oude voort moet zetten is geen kwestie van artistieke visie maar van politieke conditie.

 

De paradoxale verhouding tussen de werkelijke praktijk en ideële theorie zou daarom beter als 'toestand' kunnen worden erkend. Een stadsplein wordt nog steeds gebouwd vanuit de overtuiging dat het een ontmoetingsplaats is voor mensen, terwijl menigeen de digitale snelweg ziet als de enige relevante openbare ruimte. Dit soort voorbeelden geeft aan dat de realiteit veelal uit onverenigbare entiteiten bestaat, die samen welzeker de praktijk bepalen waarmee de toekomst gestalte krijgt, niet in dialoog, niet in consensus, niet in polariteit, maar in pure tegenstrijdigheid. Transparantie en erkenning van deze status quo biedt betere perspectieven voor de kunst dan de hedendaagse pseudo-democratische organisatie die tegenspraak onuitgesproken laat. Mocht de kunst bereid zijn de rol van haar eigen politiek onder ogen te zien en besluiten die mee te nemen in haar discours dan ontstaan er zeker minder situaties waarin beslissingen uit naïviteit worden genomen. Dat zou al een grote winst zijn op de huidige situatie. Het zou voorkomen dat er een heleboel vervelende kunstwerken wel gemaakt worden. Immers wat er feitelijk in een stad gebeurt maakt haar tot wat zij is. En het is beter dat zonder slechte kunst te doen.

Maar in een ideaal scenario verandert ook de politieke conditie. Als dat op een ideale wijze gebeurt dan is het denkbaar dat de invloed van beeldende kunst op de stedelijke ontwikkeling zich gaat aftekenen. Het inzicht moet groeien dat kunst en cultuur onmisbaar zijn om economische projecten op de lange duur succesvol te maken. Investeringen in cultuur en kunst betalen zich pas op termijn terug, dus speelt het in onze economie geen rol. Het omvat genot en vermaak en er moet altijd geld bij. Zakelijk gezien wordt het beschouwd als weggegooid geld. Wie zich echter afvraagt hoe steden als Parijs, Wenen, Rome of Venetië er financieel voor zouden staan als in het verleden niet substantieel aan kunst en cultuur was gedaan, kan niet anders concluderen dan dat er winst in zit, al duurt het even eer dat merkbaar wordt. In een culturele ruimte kunnen de excessen van een opportunistische economie worden opgevangen.

Het is een goede ontwikkeling dat in een groot verband als Europa langzaam het inzicht ontstaat dat de Economische Unie niet kan functioneren zonder culturele unie. Eén groot economisch Europa wordt bevolkt door landen met volstrekt uiteenlopende nationale tradities. Wederzijds onbegrip daarover staat een soepele economische samenwerking in de weg, maakt zelfs dat economische geschillen onoplosbaar worden. Werken aan Europese cultuur wordt daarom een politieke doel, is uiteindelijk zelfs een politieke noodzaak. De EU toont Europa steeds meer als een nieuwe culturele realiteit.

In dat scenario wordt over het volk nagedacht, in plaats van dat het aan louter economisch gemak wordt opgeofferd. De markt verliest zijn dictaat. De overheid, die het spoor volledig bijster was nadat ze haar ideeën over de cultuur had afgestaan, wil zich stilaan gaan bezinnen. Er is in dit scenario geen plaats voor politici als de Amsterdamse oud-cultuurwethouder Belliot,  die, in een interview terugkijkend op haar politieke carrière, haar afkeer uitspreekt over 'de baronnen en baronessen van het kunstcircuit die alles menen te weten', en over zichzelf zegt: "Ik ging wel eens naar een voorstellinkje, maar verder interesseerde het me niet".

Image

In een ideaal scenario worden politici met een culturele portefeuille afgerekend op hun mening over artistiek inhoudelijke zaken. Zij worden naast politiek verantwoordelijk tevens cultureel aansprakelijk. Daarentegen wordt het omvangrijke nationale kunstbemiddelingsapparaat gesaneerd en ontstaat een directe dialoog tussen de kunst en de macht. Politieke incorrectheid wordt een artistiek ideaal en uiteindelijk wordt Thorbecke afgeschaft.

En wat dan? Dan gaat het er niet meer om hoe Nederland zijn kunstenaars onderhoudt, maar hoe Nederland wordt onderhouden door zijn kunstenaars. Dan is het niet meer de ervaringsindustrie, maar politieke moed, nationale trots, artistieke visie, rijkdom en virtuositeit die bepalen hoe het vaderlandse landschap zich ontwikkelt. Dan ontstaat debat over de rol van kunst in stedelijke ontwikkeling. En zo ontstaat identiteit daar waar het door opportunisme was verdwenen. Het is een hoopvol perspectief, maar dat is nu eenmaal eigen aan een ideaal scenario.

 


foto 1: Thorbecke monument Amsterdam

foto 2: Koeknuffelen van de Amsterdamse politie NRC 12-11-05

foto 3: Interview met Hannah Belliot NRC 31-12-05