Hans van Houwelingen / Den Haag / juli 2008
Werkplaats Thorbecke / Stroom, Den Haag

Gedane zaken nemen keer!


Omissie
Op het gebied van herdenkingsmonumenten voert Den Haag in Nederland de boventoon. De meeste werden opgericht voor belangrijke personen uit de vaderlandse geschiedenis. Daarin nemen staatslieden de grootste plaats in: van Graaf Willem II van Holland (1228) tot aan Willem Drees (1886-1988). Deze historische figuren zijn representatief voor het Nederland waarin we nu leven: een modelstaat voor de vrijheid en democratie. De totstandkoming en handhaving van het koninkrijk staat centraal in de reeks Haagse monumenten. Opvallend is echter dat het ontstaan van de democratie, in de persoon van Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872), daarin niet terug te vinden is. Thorbecke werd als voorzitter van de Grondwetscommissie in 1848 de grondlegger van de Nederlandse parlementaire democratie. Hij kreeg van koning Willem II, die geschrokken was van de grote politieke onrust in het buitenland, de opdracht een nieuwe grondwet te ontwerpen. Er kwamen rechtstreekse verkiezingen en uitbreiding van parlementaire rechten. Ook werd de ministeriële verantwoordelijkheid en de mogelijkheid van Kamerontbinding ingevoerd. De grondwet werd geproclameerd op 3 november 1848 en heeft van Nederland uiteindelijk een moderne democratische staat gemaakt.

Thorbecke-monument in Amsterdam
Kort na Thorbecke's dood kwam er vanuit verschillende politieke richtingen de roep om een standbeeld. Aanvankelijk zou het monument in Den Haag geplaatst worden, maar na onenigheid en geruzie in de Haagse gemeenteraad, kwam het in Amsterdam te staan op het Reguliersplein, dat na de onthulling van het beeld op 20 mei 1876 omgedoopt werd in Thorbeckeplein. Daarmee was de kous af en gedurende een eeuw heeft niemand zich nog bekommerd over de vraag of het Thorbecke monument wel in de juiste stad terecht was gekomen.  
Eigenlijk had het niet mogen gebeuren dat het Thorbecke-monument in Amsterdam belandde. Het is een historische vergissing dat Thorbeckes grondwet in Amsterdam wordt herdacht. Den Haag is immers de residentie van de macht die door Thorbeckes toedoen zo werd gecomponeerd dat mensen in de grootst denkbare vorm van vrijheid leven. Een monument voor Thorbecke hoort thuis in Den Haag, daarover bestaat geen twijfel.

Populisme & markt

Het is niet toevallig dat er nu in Den Haag, honderdzestig jaar na de invoering van de parlementaire democratie, een gemis aan een Thorbecke-monument wordt gevoeld en er draagvlak is ontstaan om er alsnog één op te richten. Voor het eerst in anderhalve eeuw wordt de parlementaire democratie onder druk gezet door het parlement zelf. Niet eerder liet de politiek zich zo de wil van het electoraat opleggen, en zaagt kiezerspopulisme aan de poten van Thorbeckes parlementaire democratie. Een politicus is niet meer de visionair die ziet wat goed is voor het volk, maar een electorale zakenman die de taal van de straat spreekt om een gefrustreerde en boze samenleving voor zich te winnen. Het publiek is maatgevend en de markt is het gezicht van deze moderne samenleving geworden.
Wie anders dan Thorbecke kan de volksvertegenwoordiging weer in het gareel krijgen? Wie anders dan Thorbecke kan er op wijzen dat het parlement het volk dient te vertegenwoordigen en niet andersom? Wie anders is beter in staat de grondwet te beschermen dan de bedenker zelf?

Thorbecke-monument in Den Haag

In het licht van het bovenstaande is het belangrijk een nieuw op te richten Thorbecke-monument te behoeden voor de dogma's van de markt. Als Thorbecke staat voor nationale identiteit, laat hem dat dan doen op een wijze die recht doet aan de betekenis van dat woord, en gooi hem niet te grabbel aan de alomtegenwoordige identiteithandel die er een slaatje uit slaat. Het is uitgesloten dat een nieuw gemaakt monument, een in brons gegoten beeltenis in negentiende-eeuwse stijl, zelfs al is het goed gelijkend, recht doet aan waar Thorbecke voor staat. Een historisch aandoend beeld strooit de mensen alleen maar zand in de ogen. Een retro-klassiek beeld heeft geen identiteit, maar getuigt, vanwege zijn geschiedvervalsing, juist van het ontbreken eraan. De arme politicus zou zijn inhoud zien verdampen en veroordeeld worden tot zijn bronzen schil. Als Thorbecke wordt ingezet om de betekenis van de democratie weer onder de aandacht te brengen, dan mag zijn monument niet ontstaan uit de krachten die haar juist bedreigen, zoals identity business, populisme en marktdenken.
Het gaat erom een herkenbaar monument op te richten, maar geen  genoegen te nemen met een vals gedateerde lege huls. Dat is een probleem, want het is evenzeer de vraag of een hedendaags monument het gat in de negentiende eeuw in de Haagse monumentencollectie kan opvullen. Hoe moet dat kunstwerk zich tot die negentiende eeuw verhouden? Moet het achteraf refereren aan het ontstaan van de democratie of een hedendaagse rol vervullen? Moet het een mens eren die al 136 jaar dood is, of zijn nog springlevende gedachtegoed? Waar liggen, in het laatste geval, de accenten in deze tijd, als we denken aan vrijheid en democratie? Zou, vervolgens, een hedendaagse uiting van vrijheid en democratie zich nog wel verhouden tot de persoon Thorbecke?

Uitgangspunt
De op voorhand paradoxale contouren voor een nieuw Thorbecke-monument, zoals die hierboven zijn geschetst, dwingen tot een serieuze overdenking van de situatie. De criteria waaraan een Haags Thorbecke-monument moet voldoen zijn slechts ten dele esthetisch, maar overwegend politiek van aard. De ironie wil dat er bijna niet ontkomen kan worden aan een politiek debat over een monument voor de politicus die vond dat de politiek zich niet over de inhoud van de kunst moest uitlaten. De oprichting van zijn monument valt, wat mij betreft, samen met het verlaten van dit beroemde credo. Niet omdat Thorbecke geen goed standpunt had, maar omdat er sinds jaar en dag toch al een verstrengeling van cultuur en politiek bestaat, die zich afspeelt achter het rookgordijn van Thorbeckes credo. Het zou een eer aan Thorbecke zijn als zijn monument tot stand komt na een politiek-cultureel debat met open vizier.

Thorbecke & Spinoza

De crux zit in het feit dat er een Haags Thorbecke-monument anno nu moet worden opgericht, omdat dit ruim honderd jaar geleden over het hoofd is gezien. Het monument had er honderd jaar geleden eigenlijk al moeten staan, maar die tijd is niet terug te draaien of in te halen.
De historische blunder van de Haagse gemeenteraad om het Thorbecke-monument in 1876 te weigeren, waardoor het in Amsterdam kwam te staan, biedt echter ook uitkomst.
In feite doet er zich in Amsterdam een vergelijkbare situatie voor als in Den Haag, namelijk rondom Nederlands beroemdste en radicaalste filosoof Baruch Spinoza (1632-1677). Deze alom geroemde, geboren en getogen joodse Amsterdammer heeft in Amsterdam geen monument, echter wel één in Den Haag.
Vorig jaar werd de Spinoza Kring opgericht die het initiatief nam voor een Spinoza-monument. Ook dat initiatief komt niet zomaar uit de lucht vallen. De reputatie van Amsterdam, als één van de meest tolerante steden van de wereld, staat onder druk. De soepele culturele diversiteit van weleer toont steeds meer fundamentalistische tegenstelling. Vrijheid van religie en vrijheid van meningsuiting botsen op een steeds grimmiger wijze.
Zoals Thorbecke de democratie tot de orde roepen kan, zo kan Spinoza het belang van de vrijheid van geest weer onder de aandacht brengen. Spinoza was als vrijdenker een vurig pleitbezorger voor de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van geloof. Hij beweerde dat er geen van God gegeven wetten zijn, maar dat geopenbaarde godsdiensten mensenwerk zijn. Spinoza vond menselijk verstand belangrijker dan godsdienst en beriep zich op liefde en rechtvaardigheid; precies dat waar het in Amsterdam aan schort en waar de stad zo graag weer wat van terug wil hebben. Een monument voor Spinoza hoort in Amsterdam, daarover bestaat ook geen twijfel.

Misplaatst
Vier jaar nadat Den Haag het monument voor Thorbecke weigerde werd, ook nu weer na jaren van politiek geharrewar in die stad, het Spinoza-monument onthuld (1880). Ook deze beslissing was een dubbeltje op zijn kant, want Spinoza's denkbeelden werden door velen als atheïstisch of subversief beschouwd. De reden om het monument te accepteren was dat Spinoza aan het eind van zijn leven enkele jaren in Den Haag heeft gewoond. Het werd op de Paviljoensgracht geplaatst, op een benepen plek tegenover het huis waar hij was overleden. Het toeval wil dat Spinoza slechts acht jaar in Den Haag heeft gewoond en Thorbecke acht jaar in Amsterdam. Deze oppervlakkige formele binding zal er de reden van zijn dat er voor de monumenten voor beide heren te weinig serieuze aandacht is geweest.
Thorbeckes beeld in Amsterdam staat weliswaar op een betere locatie, maar verkeerd om, met de rug naar zijn plein. Zijn neus staat pal aan de weg, dwars op een gracht. Hij lijkt zich boos te hebben afgekeerd van zijn collega Rembrandt, een paar meter verderop, die recentelijk wordt vergezeld door een bronzen Nachtwacht. Dat er geen besef is dat deze carnavalsreproductie de meester onteert tekent de nonchalance en het opportunisme waarmee monumenten worden omgeven.
Ook Amsterdam buigt zich sinds vorig jaar over de vraag aan welke criteria een nieuw monument, dat eigenlijk al had moeten bestaan, moet voldoen. De ontwikkelingen tot nu toe zijn dat er voor de ‘gewone mensen' een nieuwe bronzen Spinoza-sculptuur is bedacht, waaraan iedere intellectuele inhoud ontbreekt. En omdat dit gemis nu al wordt gevoeld is er ook een tweede monument bedacht waarin de suggesties richting een ‘platform' gaan, eventueel verbonden met nieuwe media. Amsterdam denkt dus aan een huls zonder inhoud plús een inhoud zonder huls.
Een bronzen beeld zal zich niet van zijn retro imago kunnen ontdoen en een podium voor nieuwe media veroudert veel te snel om een gedachte blijvend uit te dragen. Deze voor-ieder-wat-wils-Amsterdam-Spinozastad branding schiet tekort en is feitelijk absurd. Het geeft toch te denken dat er twee monumenten verzonnen moeten worden omdat één niet de lading dekt.

Gedane zaken
Gedane zaken nemen geen keer, normaal gesproken. Echter in dit geval misschien wel. Amsterdam heeft een Thorbecke-monument dat in Den Haag hoort te staan en Den Haag een Spinoza-monument dat in Amsterdam thuishoort. Gezien het historische verloop is er aanleiding voor een uitwisseling. De wens het gedachtegoed van Thorbecke en Spinoza nú onder de aandacht te brengen zou in vervulling gaan als Amsterdam en Den Haag besluiten hun monumenten voor Spinoza en Thorbecke te ruilen.
Een correctie op de onzorgvuldigheden uit het verleden m.b.t de nagedachtenis aan deze grote Nederlanders plaatst hun betekenis in het heden. Deze authentieke negentiende eeuwse kunstwerken brengen het oorspronkelijke gedachtegoed daarmee haarscherp in de actualiteit. Door hun verhuizing klampt hun betekenis zich aan het heden, zonder echter enig geweld te doen aan hun historische verschijning in het straatbeeld. De lijn van hun geschiedenis actualiseert het gedachtegoed, maar laat het in zijn waarde.
De vaderlandse helden van de vrijheid en de democratie horen in hun historische context te staan, op de plek waaruit ze hun betekenis het best tot zijn recht doen komen. Thorbecke hoort in Den Haag en Spinoza hoort in Amsterdam. Een juiste omgeving voor de monumenten van Thorbecke en Spinoza doet recht aan de geschiedenis en aan de toekomst.

Effect
In essentie is de feitelijk daad van deze ruil een hedendaags kunstwerk dat zijn gelijke niet kent. Steden die monumenten ruilen is een nieuw fenomeen. Het gedachtegoed van Thorbecke en Spinoza en hun betekenis in deze tijd zal op velerlei wijzen worden uitgelegd. Net als bij de oprichting van de monumenten in 1876 en 1880 zal er veel stof opwaaien. Maar was het niet juist de bedoeling om de vaderlandse geschiedenis tot leven te wekken? Als de initiatieven voor de oprichting van een monument voor Thorbecke en Spinoza erop zijn gericht de maatschappelijke discussie over vrijheid en democratie te voeden, dan moet die discussie ook daadwerkelijk worden gevoed.
Een voornemen om Thorbecke en Spinoza te ruilen als correctie op het verleden zal een goed beeld geven van de maatschappelijke krachten waarmee monumenten zijn omgeven. Een goed debat daarover brengt de geschiedenis tot leven, wat onmiskenbaar en oprecht zal bijdragen aan de nationale identiteit.







* Het in 1876 onthulde Amsterdamse monument voor Johan Rudolf Thorbecke is ontworpen door Ferdinand Leenhoff (1841-1914). F.Hexamer ontwierp het in 1880 in Den Haag onthulde monument voor Baruch Spinoza.