Arno van Roosmalen / Directeur Stroom Den Haag

Gedane zaken nemen keer!
Werkplaats Thorbecke bij Stroom Den Haag

Onlangs onthulde premier Balkenende in Maassluis een monument voor Abraham Kuyper; een bronzen sculptuur ‘ten voeten uit' op een sokkel. Kuyper is geboren in Maassluis en heeft er tot aan zijn derde levensjaar gewoond. Wát kan er ten grondslag hebben gelegen aan de totstandkoming van dit beeld? Waarschijnlijk zoekt Maassluis, net zoals vele steden en dorpen in Nederland, naar zijn onderscheidende identiteit en de mogelijkheid om dit marketingtechnisch en economisch ‘uit te nutten'. Daarbij valt men graag terug op De Geschiedenis. Maar het is natuurlijk uiterst twijfelachtig dat de politicus zijn ideologisch gedachtegoed al ‘in de luiers' in Maassluis heeft ontwikkeld. Binnen de doelstelling van city marketing kan het monument verworden tot een cartooneske opvatting van de geschiedenis, en degradeert politiek, filosofisch en ideologisch denken tot een non-descript portret.

In 2007 ondersteunde de Haagse gemeenteraad een initiatiefvoorstel van Thessa Oosterholt (VVD) om in de residentie een standbeeld voor Thorbecke op te richten. Stroom Den Haag, centrum voor kunst en architectuur, startte daarop ‘Werkplaats Thorbecke', een project waarbij vier kunstenaars werd gevraagd om een visie te ontwikkelen op een hedendaags monument voor Thorbecke in Den Haag. De bijdragen van Florian Göttke, Hans van Houwelingen, André Kruysen en Gerlinde Schuller zijn nog tot en met 30 november te zien bij Stroom.
Het bevlogen initiatiefvoorstel formuleert onder meer de wenselijkheid van een herkenbaar beeld. Lees: figuratief en gelijkend. Kruysen en Göttke hebben in hun visie betoogd dat figuratie in de kunstgeschiedenis van de afgelopen eeuw vele gedaanten heeft gekend en dat de keuze voor (een vorm van) figuratie daardoor altijd een inhoudelijke keuze is. Hopelijk is herkenbaarheid hier niet synoniem met welgevalligheid ten behoeve van het grote publiek of de markt. Juist nu het kiezerspopulisme aan het wezen van onze parlementaire democratie knaagt, is een monument in de regeringsstad voor de grondlegger daarvan hoognodig. Een Thorbecke-monument moet daarom ook behoed worden voor populisme en identity business.

In september begon de derde reeks van het televisieprogramma ‘Restauratie' waarin het grote publiek via televoting een wedstrijd tussen monumentwaardige, historische gebouwen beslecht. In dit programma krijgt het publiek een portret van de gebouwen te zien en promoten deskundigen de historische en esthetische kwaliteiten ervan. De criticus en architect Wouter Davidts meent dat dergelijke programma's ogenschijnlijk wijzen op een oplevende interesse in cultureel erfgoed onder de bevolking, maar dat zij in feite het openbare karakter van monumenten in gevaar brengen: "Het publieke, politieke vertoog over monumenten wordt eerder in de kiem gesmoord dan gestimuleerd. Voor de televisie wordt men immers niet aangesproken als burger maar als een private consument; men betreedt er niet bewust de publieke ruimte maar blijft veilig binnen de huiselijke sfeer". In een rubriek in het kunsttijdschrift Metropolis M (okt/nov 2008) vervolgt hij: "Maar waar gaan we naar toe als de gehele vormgeving van onze openbare ruimte afhankelijk wordt van televoting? Wat staat ons te wachten als gezagsdragers zoals politici zich in de eerste plaats laten leiden door de regels en de grillen van entertainment en spektakel - in plaats van een politieke visie neer te zetten waarvoor ze tenslotte via verkiezingen gekozen zijn?"

Davidts ondersteunt hiermee onbedoeld de bijdrage van Hans van Houwelingen aan ‘Werkplaats Thorbecke'. Onder de titel ‘Gedane zaken nemen keer!' doet Van Houwelingen een even spectaculair als fundamenteel voorstel. Den Haag heeft een Spinoza-monument dat in Amsterdam hoort te staan en Amsterdam een Thorbecke-monument dat in Den Haag thuis hoort. Van Houwelingen stelt een monumentenruil voor: ‘onze' Spinoza naar Amsterdam, het Thorbecke monument uit de hoofdstad naar Den Haag. Daarmee wordt een wederzijdse historische misplaatsing ongedaan gemaakt, maar belangrijker nog: een hedendaags kunstwerk gerealiseerd dat zijn weerga niet kent met behoud van historische integriteit van de twee beelden. Het gedachtegoed van Thorbecke én Spinoza en hun betekenis in deze tijd zal op vele manieren worden uitgelegd, en worden geclaimd. De relatie tussen de historische figuren en de totstandkoming van de identiteit van de twee steden zal op scherp komen te staan. De monumentenruil zal een goed beeld geven van de maatschappelijke krachten waarmee monumenten zijn omgeven.

In zijn essay ‘Iets meer elan graag. Het monument in Nederland' (Stichting Kunst en Openbare Ruimte, maart 2008) schetst socioloog en journalist Warna Oosterbaan een drietal paradoxen die zich bij monumenten kunnen voordoen.
Ten eerste leidt de belangstelling die er voor een monument kan bestaan, soms tot verwerping van de plannen, want over stijl en vormgeving bestaan over het algemeen zeer vastomlijnde ideeën bij de bevolking, die niet overeenkomen met voorstellen door kunstenaars.
Ten tweede valt op dat monumenten weliswaar een geaccepteerd onderdeel van het straatbeeld zijn geworden, maar (daarmee) hun herdenkingsfunctie hebben verloren. Oosterbaan: "Een monument dat het zonder periodieke plechtigheid moet stellen krijgt het moeilijk".
De derde paradox komt vooral tot uiting in de goedgelijkende bronzen standbeelden van populaire coryfeeën als André Hazes en Pim Fortuyn. Hier zijn fanclubs aan het werk geweest; er is te weinig afstand genomen. Een ondubbelzinnige betekenis, een te grote herkenbaarheid kan de ‘ontwikkeling' van een monument lam leggen. "Gedenktekens die te hecht met een persoon of periode zijn verbonden, bieden weinig mogelijkheden voor herinterpretatie (...) en gaan een onzekere toekomst tegemoet - zeker als ze in de openbare ruimte staan"; waar Oosterbaan het ‘tweede gebruik' vooral in functionele of esthetische termen beschrijft, zou ik het ideologische en symbolische ‘hergebruik' willen benadrukken. De ‘Burgers van Calais', het beroemde beeld van Rodin, is wellicht gemodelleerd naar werkelijk bestaande burgers, maar drukt een engagement met de condition humaine uit, die ook de hedendaagse kijker aanspreekt.
Oosterbaan meent dat deze paradoxen onmiskenbaar aantonen hoezeer "de opvattingen van deskundige adviseurs en bevolking uiteenlopen". In een democratie is de discussie over monumenten een publieke zaak. Alle betrokkenen hebben hetzelfde belang, namelijk een monument dat blijft ‘werken' en ook voor anderen dan de direct betrokkenen een functie heeft". Deskundigen (kunstenaars, adviseurs) zijn niet in staat om op basis van hun expertise en status draagvlak te verwerven. Daarom moeten gezagsdragers niet te benauwd zijn om een waarderende uitspraak te doen over een ontwerp. "Iets meer durf, iets meer bestuurlijk elan", vraagt Oosterbaan.

Met betrekking tot het voorstel van Van Houwelingen voor het Thorbecke-monument zou ik aan de uitspraak van Oosterbaan het volgende willen toevoegen. Gezagsdragers zouden zich niet alleen over het ontwerp, maar juist ook over concept, idee en inhoud van het Thorbecke-monument moeten uitspreken. Het gaat om een uiterst belangwekkend ‘moment' in de stad. Het gedachtegoed van Thorbecke gaat ons allen aan. Een herinnering daaraan in Den Haag heeft een landelijk belang.
Stroom Den Haag is graag bereid de totstandkoming daarvan te begeleiden en roept, juist in dit geval, de gezagsdragers op om Thorbecke's beroemde credo te verlaten, en samen met de bevolking in discussie te gaan over een monument, dat zoveel meer is dan een kunstwerk. En daarmee de adviseurs en kunstenaars op scherp te zetten.


Voor ‘Werkplaats Thorbecke' en de bijdragen van de kunstenaars, zie: www.stroom.nl.