Hans van Houwelingen bedacht voor Vijfhuizen een sluipweg voor de dood. Langs een oud fort wordt nu gewerkt aan een weggetje van grafstenen. “Op een gegeven moment is ook de dood afgelopen.”
Kees Keijer
Hij heeft er inmiddels ruim negentig verzameld. Hans van Houwelingen probeert sinds kort op allerlei manieren aan grafstenen te komen. Driehonderd heeft hij er nodig voor zijn laatste kunstproject, een wandelpad in Vijfhuizen dat bestaat uit gerecyclede grafstenen. Het begon met een uitnodiging van Kunstfort Vijfhuizen voor een tentoonstelling. Hans van Houwelingen kwam hij met een alternatief plan. Nadat de kunstenaar zich verdiept had in de achtergrond van deze specifieke locatie, wilde hij liever een werk maken dat zich verhoudt tot de context van het fort en de geschiedenis van deze plek. Die zijn inderdaad opmerkelijk. Kunstfort Vijfhuizen ligt aan de westrand van de Haarlemmermeer en maakt deel uit van de Stelling van Amsterdam, een reeks verdedigingswerken die net als de kathedraal van Chartres en de piramiden van Gizeh op de Wereld Erfgoedlijst van Unesco staat. Jarenlang stond het fort er verlaten bij, maar twee jaar geleden kreeg het een nieuwe bestemming als centrum voor actuele kunst. Het gebouw biedt onderdak aan exposities, ateliers, een restaurant en een beeldentuin. De Stelling van Amsterdam bestaat uit een sliert forten, dijken en sluizen die tussen 1880 en 1920 in een grote boog om de hoofdstad werd gebouwd. De linie loopt van Muiden naar Uithoorn, Haarlem, Krommenie en eindigt bij Edam in het IJsselmeer. Langs deze verdedigingslijn konden grote gebieden land onder water gezet worden. De gedachte was om Amsterdam te beschermen met een brede strook water van veertig centimeter diep. Dat maakte de opmars van vijandelijke schepen onmogelijk en ook paard en wagen zouden niet ver kunnen komen. Van Houwelingen: “Het fort is gebouwd vanuit een typisch negentiende-eeuwse strategie, maar deze werd hopeloos ouderwets door de opkomst van de luchtvaart. Het militaire systeem veranderde en daarmee was het strategisch concept al tijdens de bouw verouderd.” “Als je hier komt lijkt het alsof er van alles is gebeurd. Het fort suggereert een geschiedenis van zware veldslagen, maar die is er helemaal niet. Er heeft hier nooit enige slag plaatsgevonden en er vloeide geen druppel bloed.” Fort Vijfhuizen ligt op een groen eiland, dat omringd wordt door een brede, dubbele gracht. Aan de achterzijde van het complex ligt een omwalling die de soldaten moest beschermen. Op deze omwalling ontwierp Van Houwelingen een pad van oude grafstenen. Enkele tientallen liggen er al, de rest volgt als een work in progress. Daarvoor benadert hij mensen die geconfronteerd worden met het ruimen van een graf. Meestal worden de stenen in die gevallen vermalen tot gruis. Van Houwelingen vraagt de nabestaanden om de steen een ‘tweede leven’ te geven in zijn kunstwerk. Van Houwelingen: “Het fort is een negentiende-eeuwse ruïne. De associaties met oorlog suggereren dat de hier dood alomtegenwoordig is, maar merkwaardig genoeg is dat niet het geval. Wat het meest kenmerkend is aan het Fort Vijfhuizen, is juist de afwezigheid van de dood. De grafstenen completeren de mythe van het fort in een sfeer van melancholie en 19e eeuwse romantiek. Door de grafzerken krijgt de dood hier alsnog een plaats. Maar eigenlijk krijgt de afwezigheid van de dood een plek. De titel van het werk wijst op de paradoxale aanwezigheid van de dood: Sluipweg (waarlangs de dood heeft weten te ontsnappen). Zo is een parallel ontstaan tussen het fort dat getransformeerd werd tot centrum voor hedendaagse kunst om te overleven, en de grafstenen, die hier eveneens een nieuwe context krijgen.” Deze werkwijze is vaker te vinden in het oeuvre van Van Houwelingen, die vooral werk in de openbare ruimte heeft gemaakt. In veel van die projecten koos hij voor het zichtbaar maken van een vergeten geschiedenis. Zo plaatste hij in 2000 een standbeeld van Lenin, omringd door een berg aardappels in Groningen en twee jaar later ontwierp hij een megalomaan monument voor Lely in Lelystad. In het Amsterdamse Kleine-Gartmanplantsoen liet hij veertig bronzen varanen en leguanen los in een perkje tussen de kroegen en bioscoopzalen, een verheerlijking van de eeuwig bouwkundige chaos van het Leidseplein. In al deze projecten markeert hij historische ‘vergissingen’, stelt hij maatschappelijke problemen aan de orde en bevraagt hij de manier waarop we met de openbare ruimte in Nederland omgaan. Tegelijk bedient Van Houwelingen zich vaak van een uiterst traditionele beeldtaal, die voor iedereen herkenbaar is. Het zerkenlaantje in Vijfhuizen roept vergelijkingen op met of zeventiende-eeuwse grafstenen in oude Nederlandse kerken, maar ook met de minimalistische sculpturen van Carl Andre waar je als bezoeker gewoon overheen mag lopen. In dit werk is het Van Houwelingen te doen om vragen te stellen over onze omgang met de dood. “De dodencultuur in Nederland is heel rigide. Als iemand begraven wordt, dan wordt vaak gesproken over ‘eeuwige rust’. Toch is dat maar zeer betrekkelijk. De dood is ook gewoon business. Grond kan geld opleveren. Vroeger kocht je een graf, maar tegenwoordig huur je voor tien of twintig jaar een laatste rustplaats. Als de nabestaanden daarna niet meer willen betalen, wordt het graf geruimd. Die gebeurtenis zou je kunnen zien als het moment waarop de dood is afgelopen.” Van Houwelingen benadrukt dat die gebeurtenis ook een ritueel moment is. Hij roept mensen die geconfronteerd worden met het ruimen van een graf op om de steen aan zijn kunstproject te schenken. Velen gaven daar tot nu toe gehoor aan, al lopen de beweegredenen nogal uiteen. “Voor sommigen is de steen de persoon geworden. Er zijn mensen die vrijwel wekelijks naar het betreffende graf gingen om het te verzorgen, maar op dit moment zeggen: het is genoeg geweest. Anderen vragen zich af wat er met het graf van hun ouders zou gebeuren als ze er zelf niet meer zijn. Dit project is dan een goede bestemming. Er zijn ook mensen die een steen van een familielid in de tuin hebben liggen en denken: wat moeten we ermee.” Voor de nabestaanden is het begin van het tweede leven van de steen vaak een bijzonder moment. Sommige families komen voor de gelegenheid bij elkaar om de steen zelf te plaatsen en om voor de laatste keer bloemen neer te leggen. “Voor het kunstwerk representeert de grafsteen daarna niet zozeer de doden, maar wel de dood,” aldus Van Houwelingen. “Het wordt een pad met anonieme monumenten en daarmee een monument op zich. Het kunstwerk is al een walk of fame genoemd.” Een specifieke volgorde hebben de stenen niet, al worden de verschillende vormen en kleuren wel afgewisseld. “Het belangrijkste,” zegt Van Houwelingen, “is dat je alle namen kunt lezen als je er langs loopt. Ik vind het altijd heel vervelend dat je voor een boekenkast steeds je hoofd moet omdraaien als je de opschriften op de ruggen wilt lezen. Ik heb nooit begrepen waarom daar niet een gulden regel voor gehanteerd wordt.” Van Houwelingens kanttekeningen bij de manier waarop in Nederland met de dood wordt omgegaan sluit aan bij de veranderende houding ten opzichte van overlijden en afscheid nemen. De traditionele begrafenis maakt steeds vaker plaats voor een uitvaart die door de overledene of de nabestaanden zelf geregisseerd wordt. Ook beeldend kunstenaars worden steeds vaker ingeschakeld bij begrafenissen. Het bekendste voorbeeld is waarschijnlijk de begrafenis van Roxy-oprichter Peter Giele, wiens laatste rustplaats werd voorzien van een grafmonument in de vorm van een paarse doodskop, ontworpen door Joep van Lieshout. Van Houwelingen vertelt hoe de ‘duizenddichter’ Jan Willem Berend tijdens die begrafenis zei: . 'Beter een dode Giele dan helemaal geen Giele.' “Dat is zo’n waarheid! Hij leeft gewoon voort, al heeft hij het leven verlaten. Zo is het ook: we zijn beter af met herinneringen aan overledenen dan dat je je voor moet stellen dat ze nooit zouden hebben bestaan.”
Hans van Houwelingen is nog op zoek naar grafstenen: www.kunstfort.nl
|