Dear visitor, we’re working on a new website. Coming soon!

projects books text cv publications contact

Hedendaagse beeldbouwkunst / de rustende atleet van Jan Havermans 1941 / 06-05-2002 / 02-11-2004
Minervaplein / Amsterdam
Toelichting Hans van Houwelingen / ontwerp 2006

06-05-2002 / 02-11-2004
Met uitschieters tot in de jaren dertig en veertig heeft de Amsterdamse School een  bloeiperiode van slechts 15 jaar gekend, van 1910 tot 1925. Toch is er geen enkele architectuurstroming geweest die in een zo korte tijd zo belangrijk is geweest voor Nederland, met name voor Amsterdam. Een perfecte symbiose tussen architectuur, stedenbouw, beeldende kunst en politiek maakte het mogelijk dat er een relatief korte tijd een stevig en nieuw stempel is gezet op het karakter van veel Nederlandse steden. "….De grote aandacht voor de woningbouw voor grote aantallen nieuwe inwoners, het definiëren van de wijk als een eenheid binnen de stadsuitbreiding, de aandacht voor gemeenschappelijke voorzieningen en stadsmeubilair en de wil om naar een individuele collectieve identiteit voor wonen en leven in de nieuwe stad te zoeken..."
De omstandigheden voor de architecten van de Amsterdamse School waren bijzonder gunstig. Huisvesting kreeg nationale prioriteit, waardoor het mogelijk werd de culturele en politieke krachten te bundelen en het 'meer' van de som der delen te oogsten. Voor de SDAP, de grootste socialistische partij, was de huisvesting van arbeiders één van de belangrijkste programmapunten. In 1902 trad de Woningwet in werking ten behoeve van de regelgeving voor volkshuisvesting en werden de eerste woningbouwverenigingen voor de arbeidersklasse opgericht. Het politieke klimaat bleek een uitstekende culturele voedingsbodem. De architecten van de Amsterdamse School kregen daardoor volop kansen om hun ideeën gestalte te geven.
Ze hanteerden een werkwijze die vrij was van modernistische ideologie, waardoor zeer uiteenlopende invloeden tot de onmiskenbaar eigen stijl van de Amsterdamse School konden doordringen. Een taal van fantasie waarin individuele oplossingen samengaan in het zoeken naar een collectieve identiteit. Het streven was een collectieve architectuur met behoud van de traditie van het individuele, een architectuur die zich niet door artistieke maar door politieke en sociale idealen liet leiden. Het socialisme werd omarmd. Uiteraard ook vanwege de grote kansen die het de architecten en de kunstenaars bood. "De Amsterdamse School staat nu tegenover datgene waar ze geen deel van wil uitmaken, de Moderne Beweging…..Doorgroeft is het gezicht door alle sporen van haar tijd, sympathiseert zij met de meest progressieve aspecten van de burgermaatschappij en vertegenwoordigt zij haar meest menselijke gevoelens, in haar honger naar vrijheid en rechtvaardigheid, in haar verlangen naar kennis en waarheid, in haar humanistische traditie.” De architecten van de Amsterdamse School keerden zich af van de formele dogma’s van Berlage ten gunste van een subjectieve dienstbaarheid aan het volk. Hiermee liepen ze volledig in de pas met de socialistische politiek.

De uit de macht van het proletariaat ontsproten symbiose tussen kunsten en de politiek is naar mijn mening het meest opvallende, controversiële, maar ook schone aspect van deze periode. Zelfs na driekwart eeuw laat de culturele omstandigheid van die jaren zich voelen als een bundeling van krachten die gedreven is door de strijd voor vrijheid van de gewone man. Politici, architecten en kunstenaars gaven gestalte aan één grote socialistische droom, die zich in de architectuur van de Amsterdamse School nog steeds laat lezen.
Om in de huidige tijd als kunstenaar te werken in het domein van de Amsterdamse School is een goed besef van dit aspect belangrijk. Voor een trefzekere hedendaagse kunstuiting is het m.i essentieel dat de energie, of misschien wel het wezen, van deze bouwkunst en beeldhouwkunst zich in het heden voordoet en zichtbaar wordt. Hedendaagse beeldende kunst in de omgeving van de Amsterdamse School moet niet historiserend of nostalgisch zijn, maar doet er goed aan de geest van die tijd te activeren.

Het socialisme is als ideologie lang verdwenen en na decennia polderen in het politieke midden wordt Nederland nu beheerst door angstpolitiek die gedragen wordt door een gefrustreerde en boze samenleving. De moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh vallen samen met een ongekende wending van de Nederlandse samenleving, die tot in haar vezels voelbaar is. Nederland is veranderd van een tolerante verzorgingsstaat in een samenleving waarin burgers zich als nooit tevoren laten horen en politici het hoofd buigen. Linkse of rechtse politiek vindt geen gehoor meer bij het volk, het maakt niet uit welke kleur ze stemmen. Men moet zich veilig kunnen voelen en de politiek dient hen te beschermen. Het laatste kabinet trok zelfs honderd dagen door het land om eerst te luisteren naar het volk alvorens te gaan regeren, de les van het collectieve nee tegen de Europese grondwet nog vers in het geheugen.
Het socialisme heeft een andere dimensie gekregen. De arbeider vecht niet meer voor recht en vrijheid ten koste van het grote kapitaal, maar eist bescherming in zijn strijd tegen de oprukkende mondialisering.

In de Amsterdamse wijk Oud Zuid, misschien wel de bekendste Amsterdamse School ambiance, is een anonieme stenen man al vanaf 1941 getuige van alles wat zich om hem heen afspeelt. Het is een zittende atleet die, met de kin op de hand, voor zich uit tuurt. De atleet is niet in actie. Het is alsof hij ooit plotseling is gaan zitten om over iets belangrijks na te denken. Zo zit hij daar al meer dan zestig jaar, in de pose van de denker. Het is enigszins voor te stellen wat deze anonieme man in al die jaren heeft gezien en wat hij zoal heeft overpeinsd.
De rustende atleet is een kalkstenen beeld van Jan Havermans, die leefde van 1892 tot 1964. Het is geen monument in gebruikelijke zin. Het geeft niets anders prijs dan dat er wordt nagedacht. Evident echter is de boodschap dat ook de beschouwer van het beeld zich dient te bezinnen. Het nodigt uit om zelf stil te staan en mee te mijmeren.
Mijn voorstel is om de data van de moorden op Pim Fortuyn, 06-05-2002, en Theo van Gogh, 02-11-2004, in reliëf aan te brengen op de sokkel van het beeld, als een permanente getuigenis van het moment waarop Nederland, net als in het begin van de twintigste eeuw, een grote politieke wending heeft ondergaan ten gevolge van de strijd van de gewone man.
Het zijn in reliëf gebeeldhouwde data zoals gebruikelijk in oude bouwkunst, al is het duidelijk dat deze niet de oprichting van het beeld betreffen. Deze reliëfs zijn een datering van een hedendaagse sociaal-politiek klimaat en leggen een politiek historische verband. Deze sokkel bevat twee data, die de ziel van de bevolking aangaan, geheel in de geest van deze historische wijk.

Met de opkomst van het nieuwe bouwen werd het ornament en metaforiek uit de architectuur afgezworen. Uiteraard was de beeldbouwkunst daarmee over zijn hoogtepunt en zou verdwijnen. De beeldhouwkunst werd ‘noodgedwongen’ weer autonoom, klassiek en vrijstaand. Bouwkunst en beeldhouwkunst koersten niet meer op eenzelfde politiek. Havermans klassieke beeld lijkt daarom evenzeer zichzelf in zijn omgeving te overdenken, niet alleen in stilistische, maar ook in ideologische zin.
Zo zullen na verloop van tijd ook deze data hun actualiteit verloren hebben en slechts in alle stilte door de rustende atleet worden herinnerd. De gebeeldhouwde data op de sokkel duiden een cultureel en politiek momentum, zoals de kunst van de Amsterdamse School dat eigen is.


Bron: Caristella, M. De Amsterdamse School (1991). Rotterdam: uitgeverij 010.
Ype Koopmans, Muurvast en gebeiteld, beeldhouwkunst in de bouw 1840-1940.(1994) Nai Uitgevers/Publishers