Dear visitor, we’re working on a new website. Coming soon!

projects books text cv publications contact

Het Torentje van Almelo

Het mooiste begrip dat met betrekking tot een stad bestaat is genius loci; de mystieke meerwaarde die de tijd aan plekken geven kan. De genius loci vormt de ziel van een stad, een identiteit die ontstaat ten gevolge van dynamische stedelijke processen door de tijd heen. Een stad bouwt, een stad sloopt en dan bouwt ze weer. Ze omvat een uit alle tijden stammend allegaartje van gebouwen, openbare ruimtes, straten en wegen, die op een onnavolgbare wijze zijn vergroeid tot haar ziel. De bonus voor die onophoudelijke stedelijke activiteit is de genius loci.

De industrialisatie en het modernisme, die de afgelopen anderhalve eeuw een stempel drukten op de aanblik van veel Nederlandse steden, zijn grotendeels uit het stadsbeeld verdwenen, verdreven door nieuwe dogma’s over stedelijke ontwikkeling. De monotone grijze wijken, waartoe het ideaal van het modernisme had geleid, verdwijnen langzaam maar zeker uit het stadsbeeld. Ook de industrie, die welvaart bracht, ons land heeft opgebouwd en sterk had gemaakt, is uit de stadscentra verdwenen omdat we het te gevaarlijk en te smerig gingen vinden. Er heeft zich in de loop der jaren een flinke afkeer ontwikkeld tegen het pragmatisme dat decennialang het paradigma in de stedenbouw was geweest.
Het gevolg van de functionele voortvarendheid van de afgelopen tijd is een sterk gevoel van gemis aan eigenheid. De stedenbouw wordt tegenwoordig niet meer gedreven door ideologie maar is gericht op een markt van mensen die voortdurend hun persoonlijke identiteit willen bevestigen. Nederlandse is tegenwoordig druk in de weer met het hervinden van zijn identiteit, die de afgelopen jaren door de uniformiteit van het modernisme lijkt te zijn zoekgeraakt.

Almelo’s geschiedenis is getekend door de textielindustrie, die inmiddels uit haar binnenstad is verdwenen. Wat rest van de Nijverdal ten Cate spinnerijen is het torentje aan de Egbert Gorterstraat, dat ooit aan de fabriek werd geschonken en er aan was vastgebouwd. Bij de sloop van de fabriek werd het gespaard, als een aandenken aan het industriële verleden van Almelo.
Op de plaats van de fabriek verrees een gerechtsgebouw. Het torentje werd geschonken aan de stad, die er een bestemming voor moest vinden. In 1995 werd de Stichting Het Torentje opgericht, die er de kleinste expositieruimte van Twente van maakte. Het ene gebouw werd de behuizing van de rechtspraak, het andere had tot doel de beeldende kunst in Almelo te bevorderen. Ook al waren ze ooit onlosmakelijk verbonden, beide gebouwen gingen nu een eigen weg.

De Stichting Het Torentje was expliciet is haar doelstelling het publiek in Almelo kennis te laten nemen van beeldende kunst. ‘Dit doel wordt getracht te bereiken door het bieden van RUIMTE aan gerenommeerde en veelbelovende beeldende kunstenaars’. De stichting wilde: ‘kunstenaars in staat stellen een installatie te ontwerpen en uit te voeren die specifiek bestemd is voor Het Torentje, zoals dat in zijn ruimtelijke context aanwezig is in Almelo, met zijn Historie en zijn Vorm’.
Het werd een atypische kunstruimte. Door zijn geringe omvang kon het torentje niet worden betreden en niet als neutrale expositieruimte worden gebruikt. Daarentegen was de kunst vanaf de straat te zien en manifesteerde het geheel, gebouw en kunst, zich als één kunstwerk in de openbare ruimte. Uiteraard hebben kunstenaars hun presentatie als installatie opgevat, waarin het gebouwtje niet alleen de behuizing was, maar regelmatig onderdeel werd van de artistieke boodschap.
Het is een werkzaam concept gebleken. Vele bekende en minder bekende kunstenaars hebben een interessante en spannende diversiteit aan artisticiteit tentoongesteld. Het torentje onderging jaar na jaar nieuwe metamorfosen, waarmee mag worden gezegd dat de stichting in zijn doelstelling is geslaagd.
Toch is het nu, tien jaar en vele exposities later, zinvol om de doelstelling van de Stichting Het Torentje opnieuw tegen het licht te houden. Hoe  moet die in deze tijd worden geïnterpreteerd? Wat is in deze tijd de juiste bestemming voor het torentje, ‘zoals dat in zijn ruimtelijke context aanwezig is in Almelo, met zijn Historie en zijn Vorm’?
Dat tijdelijke artistieke installaties daartoe in deze tijd nog steeds het geëigende middel zijn is niet vanzelfsprekend. Die gedachte zou berusten op een aanname, die tien jaar geleden is geformuleerd ten behoeve van de bevordering van de beeldende kunst in Almelo. Inmiddels is daar echter geen sprake meer van, de bevolking van Almelo heeft uitgebreid kennis genomen van de kunst die het torentje haar presenteerde.
Publieke kunst is overal in Nederland geaccepteerd. Het heeft zelfs een punt van verzadiging bereikt waardoor het om een nieuwe reden verbazing wekt en onderhevig is aan kritiek. Was het aanvankelijk een doel dat de mensen in de stad de kunst moesten begrijpen, er staat inmiddels zoveel moderne kunst op straat dat kunstenaars de stad niet meer lijken te begrijpen. Een inmiddels traditioneel gezicht van de hedendaagse kunst bewerkstelligt veelal een contraproductief effect. Kunst in de publieke ruimte zou een energieke bijdrage aan de stedelijke dynamiek moeten geven, maar lijdt eerder zelf aan vermoeidheidsverschijnselen.

Graag zou ik het torentje op een andere manier artistiek willen inzetten: het met een elegante artistieke slotscène weer terugschenken aan de stad. Mijn voorstel is om het torentje weer aan het gebouw, waarvan het zo lang gescheiden stond, te verbinden, door het in te richten als garderobe van de rechtbank.
Het krijgt een glazen schuifdeur die entree geeft tot een ruimte waarin toga’s, die in de rechtszaal gedurende de rechtspraak worden gebruikt, op een kledingrek hangen. Een trap geeft toegang tot een in het torentje hangende glazen kleedruimte. De wanden van dit kleedhokje zijn gemaakt van LCD-glas, dat normaal transparant is maar tijdens gebruik ondoorzichtig mat wordt.

Het blauwe gerechtsgebouw, door Cor Kalsbeek ontworpen op de plaats waar ooit de Ten Cate fabriek stond, ademt een sfeer van geslotenheid. Alhoewel het praktisch oogt is het geen typisch modernistisch gebouw waarbij de functie de vorm aannemelijk maakt. Om zijn zwaarte enigszins te relativeren maakt het grote gebouw een postmoderne flirt met het torentje, door middel van een lange halfoverkapte passage die de entree van het gerechtsgebouw met het torentje verbindt. Echter niets wijst in de richting van een inhoudelijke verbintenis tussen het gebouw en het torentje. Het gebouw toont zich als een mysterieus bolwerk en het torentje staat onhandig voor de deur.
Gerechtsgebouwen zijn nu eenmaal geen toegankelijke gebouwen die zich makkelijk voegen in de dynamiek van een stad. Het is evident dat ze gesloten moeten zijn. Het torentje als semi-open ruimte voor de togarekken van de rechtbank verleent dit gebouw op subtiele wijze echter transparantie die het nodig heeft om zich open te stellen naar de stad.

Op dit moment staan het gerechtsgebouw en het torentje gescheiden en lonken onhandig naar elkaar. De architectonische situatie mankeert een culturele betekenis. De door architect Kalsbeek gekozen formele relatie tussen de entree van de rechtbank, de lange passage en het torentje wordt aannemelijk als ze ook inhoudelijk aan elkaar verbonden worden.
Als het torentje in de toekomst als verkleedruimte voor rechtslieden dient en de kledingrekken met toga’s herbergt, is het duidelijk dat hier het recht wordt gesproken. Zonder iets van zijn gesloten karakter prijs te hoeven geven biedt het torentje het Almelose gerechtsgebouw de gelegenheid uit zijn anonimiteit te treden en zich te tonen als een visuele sublimering van de rechtstaat. Transparantie van dit gebouw voor de rechtspraak zou een genereus gebaar zijn naar de stad Almelo; in bescheidenheid een minuscule bijdrage aan haar genius loci.
Voor het torentje betekent het een nieuwe toekomst waarin ‘zijn ruimtelijke context aanwezig is in Almelo, met zijn Historie en zijn Vorm’. Het torentje herinnert nog steeds aan het industriële verleden van Almelo, maar met zijn ongewone geste naar de rechtbank ook aan zijn geschiedenis als wegbereider voor de kunst.