Kunst in het Drentepark is een
politieke beslissing!
Zuidas Amsterdam / Drentepark, Amsterdam, 2003
(voorstel)

Algemeen kader:
Kunst in de openbare ruimte wordt veel, en vaak terecht, bekritiseerd.
 “In het Nederlandse krachtenveld komt telkens weer het beeld op van de politiek als strenge vaderfiguur die een ventje, genaamd beeldende kunst, bij de hand neemt en begeleidt bij zijn stappen in de wereld.” Dit citaat van Mark Kremer duidt op de afhankelijke en tevens hachelijke positie van kunst die zich ophoudt in een omgeving waarin politieke en economische belangen de hoofdrol spelen.
 “Plannenmakers zien in kunst een werkbaar middel voor een hoogwaardige leefomgeving. Hun ambitie is bepaald door een politieke agenda, die kunstenaars in feite niet veel ruimte biedt, omdat hun werk ten dienste staat van grotere processen.”
Ondanks verwoede pogingen kan de kunst in de openbare ruimte geen gelijke tred houden met de autonome kunst, die nog steeds toonaangevend is. In ‘De moderne leegte’ beschrijft Camiel van Winkel nauwkeurig het mislukken van de publieke kunst uit de jaren zeventig en tachtig. Kunstenaars zijn later weliswaar beter gaan nadenken over kunst in de openbare ruimte, maar de leefomgeving wordt heden ten dage nog steeds opgefleurd met veel te veel rommel. We kunnen niet concluderen dat het denkwerk in de jaren negentig in praktische zin tot wezenlijke verbeteringen heeft geleid.
Veel kunstenaars zijn zich daarom gaan richten op een persoonlijk of sociaal engagement, waarmee de stedelijkheid vanuit intermenselijke verhoudingen wordt bespeeld. Politieke en economische moeilijkheden worden daarmee omzeild, maar als een daadkrachtige bijdrage aan het bouwen van de leefomgeving laat deze kunst het uiteraard afweten.
Anderen zoeken, in een poging het beste uit twee werelden te verenigen, naar interdisciplinaire samenwerkingsverbanden. De wil om samen te werken vraagt van een kunstenaar echter te vaak zich te voegen in de doctrine van de gastheer. Het resultaat van de samenwerking wordt meestal opgetekend in een boekje, maar verder dan dat komt
het vaak niet.
Het rendement van vele jaren SKOR, Stroom, AFK en andere bemiddelingscommissies voor de kunst in de openbare ruimte en vele nota’s, essays, debatten en lezingen is teleurstellend. Als de balans wordt opgemaakt, blijkt dat jaren van inhoudelijke discussie slechts een handvol kunstwerken heeft voortgebracht die de moeite waard zijn. De verklaring hiervoor is een simpele paradox, die bestaat ten gevolge van de moeizame verhouding tussen de kunst en de politieke context waarin die kunst gedijt: Men wil kunst die men niet wil, en andersom, men wil niet de kunst die men wil.
Een kunstwerk in de openbare ruimte dient het politieke belang in die ruimte optimaal te ondersteunen. Een gerealiseerd kunstwerk heeft altijd een lang traject doorstaan, waarin het door vele belanghebbenden is getoetst op deze functie. In de Nederlandse consensuscultuur betekent dit, dat er bijna geen kunstwerken worden gerealiseerd waar nog scherpe kantjes aan zitten. Maar een kunstwerk dat niet kritisch is, kan zijn artistieke taak niet vervullen, zodat aan het oorspronkelijke verzoek om met betekenisvolle kunst de leefomgeving te verbeteren geen gevolg wordt gegeven.
Een in zijn eigen staart bijtende slang is de reden dat de meeste kunstwerken in de openbare ruimte dus eigenlijk geen kunstwerken zijn, althans in artistiek opzicht oninteressant. Dit zijn kunstwerken die bedoeld waren artistieke betekenis te hebben, terwijl dat tegelijkertijd ook niet de bedoeling was.
Het moment is aangebroken om in te zien dat een kunstinhoudelijk debat niet toereikend is, zolang de politieke premissen niet tegelijkertijd ter discussie staan. Uw verzoek aan een kunstenaar in uw nota ‘Openbare Ruimte Zuidas, ontwerp op hoofdlijnen’, is niet minder dan het volgende: “Wat we met kunst in de openbare ruimte willen is de creatie van een identiteit met een eigen belevingswaarde, die diepgaand oorspronkelijk en niet kopieerbaar is met het doel de bestaande marktpositie van een stad verder uit te diepen en te verbijzonderen, waardoor die unieke positie in de toekomst met nog meer overtuiging kan worden geclaimd. (…) Zo zal er iets nieuws ontstaan, dat inspirerend kan werken voor anderen. Bovendien zal de beeldende kunst in de openbare ruimte op deze manier nieuwe richtingen kunnen inslaan. Men moet dit proces ook beschouwen als een zoeken naar zinvolle en betekenisvolle mogelijkheden, die verleden, heden en toekomst
met elkaar verbinden.
Kunst maakt dus een noodzakelijk deel uit van de Zuidas. Dit past bij de rijke traditie van Amsterdam op het gebied van de kunst in de openbare ruimte. Dit fenomeen is nu algemeen goed geworden maar zal in de Zuidas geen algemene, maar bijzondere rol gaan spelen.”
U zult begrijpen dat een klimaat van consensus en compromissen niet de beste omstandigheid is om aan een dergelijk verwachtingsvol verzoek – waaraan juist veel scherpe kantjes zitten – te beginnen.
Als de werkelijke kunstpraktijk van de afgelopen jaren met terugwerkende kracht op deze opdrachtformulering toegepast zou worden, dan zou hij er echter ongeveer zo uitzien: Wat we met kunst in de openbare ruimte willen is dat na jarenlang ambtelijk steggelen niemand meer problemen ziet in kunstwerken, die niet noemenswaardig op
de begroting drukken en waarvan geen weerstand van de bevolking te verwachten valt.
Indien er op de Amsterdamse Zuidas kunst moet komen die beantwoordt aan de door u gestelde vraag, dan is er alleen kans van slagen als er een politiek klimaat ontstaat
om kunstwerken te realiseren die dit resultaat kunnen bewerkstelligen.
Ik heb mijn opdracht, een totaalvisie voor de kunst in het Drentepark te ontwikkelen, daarom opgevat als een reflectie op de condities die de kunst mogelijk kunnen maken. Onder het motto Kunst in het Drentepark is een politieke beslissing, zou ik mijn voorstellen willen presenteren.

Problematiek:
Als onderdeel van de Zuidas heeft het Drentepark zijn eigen karakteristiek, uitvoerig omschreven in het  ‘Stedenbouwkundig programma van eisen Drentepark’. Het Drentepark heeft echter ook een eigen problematiek, die in ogenschouw moet worden genomen om kunst adequaat te kunnen inzetten.
Afgescheiden door de sportvelden van de AFC, ligt het Drentepark geïsoleerd, als restgebied, aan de rand van de Zuidas.
De sportvelden van de AFC zullen moeten worden omheind met hoge hekken, die de in de plannen voorgestelde ruimtelijkheid teniet zal doen. Het wordt er krap, waardoor een scherpe tegenstelling tussen private en publieke ruimte zal ontstaan.
Er komt grote logistieke druk op de Drentestraat te staan, die naast de aan- en afvoer van het gehele Drentepark, ook de toegang tot de onder de sportvelden gelegen accommodaties moet verwerken.
Er is nauwelijks coherentie in de bestaande bebouwing. Bestaande bouwblokken liggen als enclaves ten opzichte van elkaar. Met name het NUON terrein zal een voor het publiek moeilijk te betreden ruimte zijn.
De bestaande architectuur is uitermate functionalistisch, ademt een benauwde sfeer van kantoren en is lelijk.
De menselijke maat ontbreekt. Ondanks de aanbouw van woningen zal het lastig zijn een vanzelfsprekende relatie tussen wonen en werken te creëren.
Uw opdrachtformulering stelt, gezien deze moeilijke omstandigheden, hoge eisen aan de kunst. Naar mijn mening kan kunst in de openbare ruimte zoals we die gewend
zijn (en zoals in de inleiding beschreven) deze leefomgeving niet daadwerkelijk verbeteren. Er ligt een situatie op de loer waarin kunst ter compensatie wordt ingezet, maar onbedoeld een treurige bevestiging wordt van onopgeloste problemen.
Ik zou echter een voorstel willen doen voor kunst die de leefomgeving in het Drentepark welzeker verbetert, maar die daartoe om volstrekt andere economische en politieke condities vraagt.
Ontwerp:
Het geven van een artistieke totaalvisie op een gebied, zoals in dit geval op het Drentepark, resulteert doorgaans in een abstracte conceptualisering, die in een vervolgproces ter overweging wordt genomen. In de overtuiging dat in een concept het feitelijke ‘doen’ niet alleen praktisch is, maar een belangrijke inhoudelijke rol speelt, heb ik bewust gestreefd om een visie op het Drentepark te laten resulteren in enkele concrete voorstellen. Dit maakt een discussie over de politieke context van de kunst minder abstract en minder vrijblijvend. Het doel is derhalve niet de kunst maar de premissen van de kunst te conceptualiseren.
Het voorstel dat ik zou willen doen behelst twee onderdelen, twee benaderingen op verschillende niveaus. Het eerste voorstel richt zich op het ontbreken van menselijke maat in het Drentepark en op de moeilijke toegankelijkheid van het Nuon-terrein. Het tweede voorstel is vanuit een breed perspectief gedacht en richt zich op het imago van de Zuidas en de betekenis van Amsterdam als metropool.
1
Het Nuon-terrein hoort eigenlijk thuis in een industrie-gebied. Het typeert zich als een zakelijke bundeling gebouwen die is afgestemd op een vlekkeloos lopende economie. Aspecten van subjectieve aard lijken hieraan ondergeschikt te zijn. Infrastructuur en gebouwen tonen een hoge mate van efficiëntie, maar (of beter: en) zijn tegelijkertijd een toonbeeld van architectonisch en stedenbouwkundig anarchisme. Ik wil dit zien als een kwaliteit van het gebied, reden om dat aspect liefst te versterken.
Op dit moment heeft het Nuon-terrein geen openbare ruimte, de gebouwen zijn omheind, de toegang is verboden.
Het verwijderen van hekken en het openbaar maken van de ruimte zullen de industriële atmosfeer niet veranderen. Mijn voorstel is om van deze openbare ruimte een kunstwerk te maken dat deze sfeer juist bevestigt.
Overal in Nederland staan efficiënte producten van bestaande nutsbedrijven: brievenbussen, telefooncellen, pisbakken, giromaten enzovoort. Ik zou op het Nuon-terrein een flink aantal van deze producten bijeen willen brengen; eenzelfde anarchistische samenvoeging van elementen als de bebouwing, maar afgestemd op menselijk nut. Het introduceert tevens de menselijke maat in dit gebied. De samenvoeging van deze producten zal een surreëel beeld opleveren en tegelijkertijd menselijke activiteit genereren en nuttig gebruik garanderen.
Het belangrijkste product in het ontwerp is de windmolen. Dicht bij een windmolen is de overbrenging van energie voelbaar als een imposante zinnelijke ervaring. De windmolen functioneert hier als intermediair tussen de mens en de economie van deze omgeving.
Als mooist geïnnoveerd Nederlands product zal deze windmolen een zakelijk monument zijn van de efficiëntie van de moderne mens. Het zou voor het eerst zijn dat in een bebouwde omgeving een windmolen om artistieke reden wordt geplaatst. Het is een overweging om hem om die reden een gouden kleur te geven.
Een kunstwerk doet altijd een beroep op de belevingswereld van mensen. Meestal biedt het kunstwerk een zeker contrast met een zakelijke omgeving waarin het zich bevindt. Dit ontwerp wil dit contrast vermijden; geen afleiding, geen verstrooiing. Door het menselijke aspect in te voegen als een rad in een geoliede economische machine zal het Nuon-terrein aan karakter en duidelijkheid winnen.
De totstandkoming en financiering van het werk zal een projectmatig karakter moeten hebben, waarbij samenwerking met gemeente en het bedrijfsleven, in het bijzonder natuurlijk de Nuon, noodzakelijk zal zijn.
2
Door de hoogte van omringende gebouwen is de KPN-telecom toren in het Drentepark binnenkort te laag. De KPN denkt aan het verhogen en verfraaien van deze toren, zodat weer aan technische en eventueel esthetische voorwaarden kan worden voldaan.
Dit moment kan ook worden aangegrepen om een nieuwe KPN-telecom toren te bouwen, die niet alleen technisch en esthetisch volstaat, maar die onmiskenbaar de ambitie
van de Zuidas onderstreept. Een toren die het Drentepark, als entree van de Zuidas, in een volstrekt ander daglicht plaatst. Een monument dat voorgoed met Amsterdam verbonden is. Dat maar één keer hoeft te worden gezien alvorens voorgoed in het geheugen gegrift te staan en dat daardoor internationale reputatie krijgt.
Tegen alle tendensen in een waanzinnig kunstwerk, niet minder dan dat. Kortom, een kunstwerk waar in uw opdrachtformulering om wordt gevraagd. Maar tevens een kunstwerk dat een volstrekt andere politieke en economische dimensie heeft dan gebruikelijk. Dat van iedere betrokkene vraagt zijn behoudende inborst te vergeten om dit artistieke doel te bereiken. Er is hier geen plaats voor terughoudendheid en ambtelijke repressie. Pas als er krachten worden verenigd en politiek en economisch met zwaar kaliber wordt geschoten, kan het gestalte krijgen. Mijn voorstel is dit traject te starten en te proberen het uit te bouwen.
Het Nederlandse poldermodel, dat zo lang het politieke landschap heeft bepaald, maakt de door u geformuleerde artistieke doelstellingen van deze opdracht, in principe onhaalbaar. Als er na vele jaren mislukte kunst in de openbare ruimte één les geleerd kan worden, dan is het dat gewoon doen toch niet gek genoeg blijkt te zijn.
Tijdens de vakantie in Rome of Parijs is het niet opportuun om de politieke en economische condities te beschouwen, die al het schoons in deze steden mogelijk hebben gemaakt. Maar thuisgekomen zou er notie moeten zijn van de ambitie, de trots, het lef en zelfs het opportunisme, die noodzakelijk zijn om van openbare ruimte kunst te maken.



Bron: Hans van Houwelilngen, toelichting op presentatie kunstvisie ‘Zuidas Amsterdam / Drentepark’, 2003