Fragmenten van de discussie over Lely’s Zuil in Lelystad’s regionale krant, Dagblad Flevoland, 2001.
Open brief Geachte heer Esser, Helaas heb ik vernomen dat het beeld van Lely van de zuil moet worden verwijderd en dat uw beslissing definitief is. Mag ik een laatste poging wagen u toch op andere gedachten te brengen? Voor alle duidelijkheid, ik ben een traditioneel kunstenaar en schilder portretten, onder andere van alle oud-burgemeesters van Flevoland en onlangs nog het portret van onze huidige burgemeester Leeuwe. Mijn opleiding genoot ik, tussen de jaren 1965 en 1970 aan de Minerva te Groningen. Als oud vakbondsvrouw van de B.B.K. ben ik mij bewust van de ‘beeldrechtelijke’ eisen die een kunstenaar kan stellen aan plaatsbepaling en of functie van zijn kunstwerk, van dat recht moeten wij helaas vaak gebruik maken omdat kunstbarbaren aan de haal gaan met ons gedachtengoed. Met u, was ik in eerste instantie verbijsterd over de plannen van een stelletje lieden die uw beeld, het bronzen beeld van Ir. Cornelis Lely, hoog op een zuil boven de bebouwing van Lelystad uit wilden laten steken, een geldverslindend plan. Ik vond het nog tolerant, dat u meende toch even met die gekte mee te gaan en toestemming gaf voor een half jaar. Edoch wat schetst mijn verbazing, en wel over mijn eigen gevoelens, toen Lely daar op die zuil werd geplaatst; ik ben razend enthousiast geworden over het resultaat. Hoe vaak ben ik in het verleden niet langs het beeld van Lely gelopen maar er nooit goed naar gekeken, het was te groot(s) voor het Agoraplein. Met het donkere hotel als achtergrond, was het een grauw beeld. Nu pas zie ik hoe goed het is gemaakt, dat zelfs op 30 meter hoogte de krachtige vorm en structuur van het brons duidelijk zichtbaar is. Heel stil heb ik aan de voet van de prachtige, voor Lelystad heel toepasselijke, zuil van basalt blokken gestaan en omhooggekeken en genoten van de wisselende achtergronden, blauw, wit, grijs, waartegen Lely nu is gesitueerd. Een kippenvel sensatie toen ik op de Visarenddreef het beeld hoog boven het station zag staan, schitterend..! Deze ervaring en wetende dat u als oud mentor van vele kunstenaars open moet staan voor gekke ideeën, hebben mij gedwongen deze brief te schrijven, om u te vragen een groot(s) gebaar te maken en op uw beslissing terug wilt komen, voor Lelystad, dat nu eindelijk een smoel heeft, voor Ir. Lely die de belangstelling krijgen zal die hem toekomt, voor de kunstenaar die de zuil ontwierp en zag, wat u nu toch ook moet hebben gezien, dat het kan en dat het goed is en tenslotte voor u beiden, collega’s beeldhouwers vormgevers, u krijgt een onsterfelijke plaats in de kunsthistorie. Met welk ‘recht’ wilt u dat tegenhouden, mag ik u in alle gemoede vragen hierover nog even na te denken? In de hoop op een positieve reactie teken ik met collegiale groet, Martine Bakker
Open brief Esser Vorige week kondigden we aan de discussie over de Zuil van Lely even te stoppen. Toen wisten we nog niet dat we de volgende dag een brief van de maker van Lely, Piet Esser, zouden ontvangen. Een open brief, waarin hij reageert op de open brief van kunstenares Martine Bakker, die hem in de FlevoPost vroeg of het beeld niet op de zuil mag blijven staan. En natuurlijk willen we u de brief van Esser niet onthouden. Redactie
Geachte Martine Bakker, Van een collega had ik eigenlijk een andere reactie verwacht, maar ik dank u toch voor uw twee aardige brieven. Zelf ben ik niet in de gelegenheid geweest om op de Visarenddreef Lely te zien ‘staan schitteren boven het station’, zoals u zo overtuigend beschrijft. Wel heb ik hem zien staan hoog boven mij als een soort Michelin-mannetje op een reclame zuil. Ik heb niets tegen een beeld op een zuil, maar ze moeten beiden wel als geheel geconcipieerd zijn, en nu is mijn beeld erbij gesleept om de zuil zin te geven. Op de prachtige foto’s die van het geheel – zuil en beeld – gemaakt zijn, en die nu prijken op de ‘uitnodiging tot de onthulling van de Zuil’ en op de reclamefolder voor Van Houwelingen, doet het beeld het goed. Hij houdt zich kranig, ‘Lely tot een held de hoogte in gehemeld’. Maar die foto’s zijn duidelijk gemanipuleerd. Zij geven de werkelijke situatie niet weer. Die is ook moeilijk te realiseren vanaf de plek in of voor het stadhuis. Voor de fotomontage van het geheel heeft de fotograaf duidelijk gebruik gemaakt van een foto van het beeld toen dat nog op de trap in de Agorahof stond – op nog geen twee meter hoogte! En ik ben maar blij dat er vergeten werd mij in de Van Houwelingen-folder te vermelden als maker van het beeld, want ook met de foto van het beeld daarin is geknoeid. Mijn beeld is niet bedoeld om van een grote afstand bekeken te worden en heeft dan ook geen enkele decoratieve werking. Het is helemaal als portret bedoeld van Lely, de man ten voeten uit. Van de enkele, vaak wat vage fotografiën uit de 20-er jaren kwam een robuuste man mij tegemoet, en ik werd direct getroffen door de sterke expressie van zijn staan. Hij was één stuk zekerheid en onverzettelijkheid, zoals hij met beide benen vast in de klei van de polder stond. Buik vooruit – rug naar achter voor een plezierige balans – een stok in de hand niet om op te rusten maar als om mee in de ruimte te wijzen waar de grote dijk zal komen te rusten. Een ‘Maker’ zag ik voor mij – een droogmaker, een schepper van land, Flevoland. En dat alles verpakt in die verrukkelijke hoop verkreukelde kleren – vesten en nog eens vesten –, waarin de mannen uit die jaren meenden zich te moeten kleden. Op een van de foto’s was het alsof hij mij aanzag met een lachje van: ‘Ga d’r maar aanstaan, man’. Een volle vier jaar heb ik er ‘aangestaan’. Er is geen vierkante centimeter beeldoppervlak of mijn ogen en handen zijn daar intens mee bezig geweest; ‘naar beste kunnen’. (...) Mijn beeld (...) werd op een platform van de trap in de Agorahof gezet, waar het eigenlijk maar weinig zonlicht ving op de belangrijkste kant, de voorzijde. Maar er kwamen veel mensen langs en zaterdag’s was er markt. Je kwam er wel eens langs op je fiets, Martine, en vond het maar ‘een grauw ding’. In maart ‘99 werd de trap afgebroken en het beeld opgeborgen in een loods. Daar kan brons wel tegen; dat heeft een lang leven. In de zomer van 2000 kwamen burgemeester Leeuwe en wethouder Van der Zwan helemaal naar mij toegereisd, waar ik woon in Frankrijk. Zij vroegen mij wat ik zou vinden van hun plan om het beeld op een hoge zuil te zetten. Ik keek omhoog naar de honderdjarige cipres, die bij mijn huis staat. Daar moet ik wel even over nadenken vond ik, want ik zag mijn beeld helemaal niet zitten in de kruin van mijn oude boom. We namen afscheid als vrienden. (...) Mij lieten ze achter met een grote ‘slag om de arm’. Wanneer ze precies met het beeld zijn gaan hijsen weet ik niet meer, maar ik was ineens wel doodsbenauwd dat de enkels en de stok van het beeld zouden ombuigen, want ze lieten het zware stenen voetstuk er aanzitten. Op 19 november 2000 schreef ik een brief aan burgemeester Leeuwe met het verzoek of ze wilden stoppen met het ‘gesol’ met mijn beeld en met de mededeling dat ik rabiaat tegen plaatsing van mijn beeld op een hoge zuil was. Brieven van gelijke inhoud gingen naar wethouder Van der Zwan en de gemeenteraad. Op 5 februari 2001 had ik een verdere bespreking met burgemeester Leeuwe, waarin hij mij alsnog probeerde over te halen om toestemming te geven voor het plaatsen van mijn beeld op een nog te bouwen zuil. Wethouder Van der Zwan was aanwezig en later ook Van Houwelingen. Het resultaat van de bespreking is als volgt vastgelegd in de daarna door mij van hem ontvangen brief: “1. U stemt niet in met plaatsing van het beeld van ir. Lely op de zuil zoals die door de heer Hans van Houwelingen is ontworpen. 2. Omdat uw beeld van ir. Lely, in afwachting van definitieve plaatsing, op dit moment is opgeslagen, stemt u wel in met een tijdelijke plaatsing van dit beeld op de betreffende zuil. Deze tijdelijke plaatsing mag tot maximaal een half jaar na realisering van de zuil duren. Na een half jaar dient het beeld van ir. Lely van de zuil te worden verwijderd. 3. U heeft aangegeven de zuil met daarop het beeld van ir. Lely na realisering graag te willen zien om daarover een artistiek oordeel te vellen. Op voorhand geeft u echter aan dat dit oordeel geen wijziging zal brengen in het standpunt zoals door u onder punt 1 verwoord. 4. Op dinsdag 6 februari heeft u ons bovendien telefonisch laten weten niet te kunnen instemmen met het plaatsen van een replica van uw beeld op de zuil. Wij hebben aangegeven uw standpunten zoals hiervoor verwoord ten volle te respecteren en deze in het college van B en W te bespreken. Deze bespreking heeft inmiddels plaatsgevonden. B en W stemt in met uw standpunten. Tevens hebben wij afgesproken deze brief bij de besluitvorming rond de realisering van de zuil te betrekken en hem ter kennis te brengen van de gemeenteraad van Lelystad.” Ik ben zelf nog niet voor het kleinste steentje verantwoordelijk voor het bouwen van de zuil – men wist van te voren dat ik ‘er niet op wou’. “Wat nu als blijkt dat de zuil een zinloze pilaar wordt?” vraagt u zich bezorgd af. Mevrouw Bakker, dat is iets voor Van Houwelingen om antwoord op te geven. Zelf zou ik voor dat mooie plekje aan een carillon denken, van beneden af te bespelen. Een heerlijkheid voor de mensen uit de buurt. “En het beeld; wat nu met het beeld?” vraagt u me ook. Ik zal een duidelijk antwoord geven: Als de bliksem een mooie plaats zoeken voor dat beeld. Het wordt hoog tijd dat de bronzen Lely gerehabiliteerd wordt. Na vanaf maart ‘99 ergens onzichtbaar te zijn opgeslagen en het laatste half jaar ver en hoog ‘op de tocht’ te hebben gestaan, is het nu tijd dat het beeld eens zijn kwaliteiten kan laten zien. Ik liet aan collega’s in Amsterdam de mooie uitnodiging voor de onthulling van de zuil in oktober 2002 zien. “Oei-Oei”, riepen ze onthutst, “hoe krijgen ze ooit dat beeld eraf?” Dan kennen jullie burgemeester Leeuwe niet, was mijn antwoord. Vriendelijke groet, Piet Esser, Grezelle, Frankrijk
Zuil van Lely Oké, we hadden gezegd de discussie over de Zuil van Lely even stop te zetten. Toe kregen we een open brief van de maker van het beeld van Lely, de heer Esser. En als reactie daarop nu weer een brief van de maker van de Zuil, de kunstenaar Hans van Houwelingen. Twee uitzonderingen, die de regel bevestigen. De redactie
Geachte heer Esser, Een week na verschijning kreeg ik uw open brief aan Martine Bakker onder ogen. Graag zou ik van het zelfde medium gebruik willen maken om een reactie te geven. Vooraf wil ik duidelijk stellen dat ik uw beslissing respecteer om niet toe te stemmen met de plaatsing van uw beeld op de Zuil van Lely. De strekking van deze brief is een andere. Terwijl de schilderkunst en later de conceptuele kunst zich geestdriftig verhielden tot internationale ontwikkelingen, hees de naoorlogse Nederlandse beeldhouwkunst zich in een traditionalistisch harnas, geënt op de 19e-eeuwse beeldhouwkunst van meesters als Maillol, Bourdelle en Rodin. Aanvankelijk is dat goed te begrijpen; er was na de oorlog behoefte aan traditionele beeldhouwkunst, alleen al om in de behoefte aan verzetsmonumenten te voorzien. Maar minder goed is te begrijpen dat dit traditionalisme zich zelf nooit heeft ontwikkeld, ook niet toen de vraag naar monumenten afnam. Wie indertijd niet figuratief was, was abstract, verder dan deze simplificatie kwam het niet. Sterker nog, de kring van deze beeldhouwers was fel gekant tegen iedere poging die dit conservatisme trachtte te nuanceren. Als kunst zich niet ontwikkelt, sterft zij echter uit. U bent zelf op hoge leeftijd en weet dat er nog maar enkele beeldhouwers leven die het ‘vak’ beheersen. Dit soort beeldhouwkunst is nu het domein geworden van amateurs die menig winkelstraat opvrolijken met armzalige bronzen poppen en die op geen enkele wijze uiting geven aan het door u zo geprezen ideaal. Ik heb uw beeld uit deze context gehaald en het een nieuwe gegeven. Uw werk is meegenomen naar een andere tijd met een andere manier van denken en kijken. Ik beweer stellig dat uw beeld van Lely tot het belangrijkste werk uit uw oeuvre zou zijn uitgegroeid als u had ingezien dat u dit beeld op genereuze wijze door kan geven aan een nieuwe generatie. Een generatie die het anders zal beoordelen, op grond van andere criteria, maar die het evenzeer een grote mate van waardering zal geven. Mij leek het een uitgelezen kans de traditionele beeldhouwkunst de 21e eeuw te laten betreden. Het spijt mij daarom zeer dat u de tijd van uw kunstwerk krampachtig wilt bevriezen, terwijl hij al ter ziele is gegaan. Ik ben door uw leerlingen opgeleid en begrijp heel goed uw bezwaren en zoals gezegd, respecteer ik uw besluit. Maar gelooft u mij, deze vadermoord is uit liefde begaan. “Op de prachtige foto’s die van het geheel- zuil en beeld- gemaakt zijn, en die nu prijken op de uitnodiging tot de onthulling van de Zuil en op de reclamefolder voor van Houwelingen, doet het beeld het goed. Hij houdt zich kranig ‘Lely tot een held de hemel in gehemeld’. Maar de foto’s zijn duidelijk gemanipuleerd. Zij geven de werkelijke situatie niet weer”, citeer ik u. Er is, afgezien van de retouche van een PTT logo, waarlijk niets met deze foto’s gedaan; om het te bewijzen wil ik u de negatieven sturen. Mij verbaast het niet dat u uw ogen niet gelooft. Wellicht geeft dat u te denken. Met de meeste hoogachting, Hans van Houwelingen
|
|