CORDULA MONUMENT
Wie een eerste keer een bezoek brengt aan het Park Zoersel zal onmiddellijk overvallen worden door het weldadige gevoel van rust dat de prachtige natuur van het park hem geeft. Maar misschien nog overheersender zal voor menigeen het gevoel zijn midden in de geschiedenis te staan, midden in de historie van het Kempense land, daar haast tastbaar deel vanuit te maken. Want overal voelt men de kalme wijsheid van die historie: het kasteel vanzelfsprekend, de statige paden en lanen, de rijke verscheidenheid aan inheemse en vooral ook exotische planten, de oude, wijze bomen -met als pronkstuk de Libanonceder aan de westrand van de open vlakte achter het kasteel-, kortom overal doet zich de rijkdom van en de zorg voor het verleden gevoelen. En tevens realiseert men zich dat men niet over het Romeinse Forum, de Atheense Akropolis of de Grote Markt van Brussel hoeft te lopen om met beide benen in onze Westeuropese geschiedenis te staan. Neen, men beseft dat dezelfde sensatie evengoed kan worden ondergaan tijdens een zondagnamiddagse wandeling in een park in een eenvoudig, schijnbaar onbeduidend Kempens dorpje. Want net zoals vele historici, taalkundigen en archeologen zich hebben gebogen over de juiste datering en de precieze betekenissen van alles dat zij op het Forum en de Akropolis aantroffen, zo is in de laatste tijd allerlei wetenswaardigs verzameld over de schatten van het Kasteelpark van Halle met als blikvanger vanzelfsprekend de gedetailleerde reconstruering van het ontstaan van het kasteel en zijn voorlopers. Maar dit artikel wil het noch over het nieuwe kasteel hebben, noch over het oude, en ook niet over de herkomst van de fleurige Veelbloemige Salomonszegel of de prachtige Dagskoekoeksbloem. Dit artikel wil in gaan op een klein, op het eerste gezicht weinig spectaculair monument dat zich geheel heeft onttrokken aan het oog van de gemiddelde parkbezoeker. Het monumentje bevindt zich namelijk op het eilandje in de grote vijver van het Kasteelpark en is vanaf de wal met het blote oog nauwelijks waarneembaar. Het staat er troosteloos alleen op het van God en iedereen verlaten bloemeneilandje, zonder enig aannemelijk of traceerbaar verband met de rest van het park. Maar nog opvallender is dat dit gedenkteken nergens in de officiële annalen van het kasteel of het park is beschreven. Het kan simpelweg nergens terug gevonden worden! Wie het monument ziet, zal niet meteen steil achterover vallen door zijn pracht, hoewel het in al zijn eenvoud wel degelijk een zekere innerlijke kracht bezit. Wat zien we dan op het monument? Welnu, we zien een jonge vrouwenfiguur in klassiek gewaad naast een flink oudere man, tevens gekleed naar klassiek voorbeeld. Beiden zijn gescheiden door iets wat op een zuil lijkt, maar dat bij nadere beschouwing een soort van plateau blijkt te zijn, een tafel haast. De beide figuren staan enigszins contemplatief en gelaten langs elkaar heen te staren. Voorwaar een intrigerend beeld, Maar zoals gezegd, er is nergens iets te vinden in de officiële stukken over de herkomst en historie en het is pas sinds kort dat we een paar belangrijke aanknopingspunten hebben die uitzicht bieden op een definitieve plaatsbepaling en duiding van het monument. Wat is er namelijk gebeurd? Onlangs werd door een student geschiedenis in het kader van zijn doctoraalscriptie over het dagelijks leven op de zandgronden in Nederland en België van kort na de Industriële Revolutie, in het archief van de bibliotheek van het Jezuïetenklooster in het Nederlandse Nijmegen, een korte, maar hevige briefwisseling ontdekt tussen één van de pastores die in Halle hebben gewerkt, pastoor Lievaerts en de toenmalige baron en bouwer van het kasteel, baron Engelbert Victor de Borrekens. Voor wie zich overigens afvraagt hoe een dergelijke briefwisseling in Nederland terecht kon komen: de broer van de pastoor was een pater Jezuïet en woonde en werkte in Nijmegen. Na het overlijden van zijn broer ontfermde hij zich over diens nalatenschap. Welnu, uit die briefwisseling kan de opmerkelijke ontstaansgeschiedenis van het monument voor een belangrijk deel gereconstrueerd worden. Een andere belangrijke conclusie is dat na lezing van de briefwisseling zeer goed te begrijpen is dat het monument in de loop van deze eeuw niet in de officiële annalen is opgenomen. We beginnen bij het begin. Toen het kasteel net gebouwd was, zo rond de eeuwwisseling, gaf de baron een aantal grote en indrukwekkende partijen om zijn nieuw bezit aan zijn gasten te tonen. Een van die partijen was speciaal aangericht voor een heel bepaalde groep die wat nadere uitleg behoeft. De baron had zichzelf namelijk als taak gesteld "talent" te stimuleren. En dan vooral "talent" dat het zich van huis uit niet kon permitteren dit talent te ontwikkelen door scholing op hoog niveau. Kunstenaars, musici, maar ook medische studenten, fysici, kortom allerlei jonge mannen van allerlei discipline werden door hem van een extra toelage voorzien. Deze praktijk van het maecenaat was overigens gedurende de gehele 19e eeuw in West Europa zeer in zwang: een bekende Nederlandse maecenas was bij voorbeeld de belangrijke en puissant rijke schrijver Johannes Kneppelhout (1814-1885). De baron nodigde al zijn protégées een week lang uit om zijn nieuwe bezit te komen bewonderen. Onder hen was een jonge schilder die in de briefwisseling wordt aangeduid met Jean-Louis, helaas nooit met een achternaam, waardoor we op dit moment niet weten met welke schilder we van doen hebben. Kort onderzoek op de Koninklijke Bibliotheek en op het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Brussel heeft nog niets opgeleverd, temeer daar de naam Jean-Louis nogal veel voorkwam in die dagen. En misschien heeft de jongeman later ook wel nooit meer de kwast ter hand genomen en heeft hij alsnog gekozen voor een burgerlijke loopbaan. Deze Jean-Louis wordt zowel door de baron als door de pastoor met bijzonder veel liefde beschreven: hij was knap, intelligent, voorkomend, zeer beleefd en gezegend met een groot talent. Hij had slechts één slechte eigenschap. Hij was aartslui. Lievaerts schrijft zelfs dat deze ledigheid de bron was van alle ellende die zou volgen. Vanzelfsprekend waren de beschermelingen van de baron allen van het mannelijk geslacht. Het was ondenkbaar in die tijd dat ook meisjes en vrouwen op een zelfde manier gestimuleerd werden. Toch vond met name de pastoor dat de meisjes ook geholpen moesten worden en op instigatie van pastoor Lievaerts organiseerde de baron cursussen voor de meisjes van de arme boeren die rond het kasteel op de karige zandgronden hun bestaan probeerden op te bouwen. Ze konden op het kasteel leren koken, naaien, borduren, kregen les op het gebied van hygiëne en zo meer. Eén van de meisjes was de oogappel van de pastoor, hoewel ze ook met veel liefde en achting door de baron wordt beschreven. De pastoor vond haar een bijzonder schrander en opgewekt kind dat nooit iets teveel was en altijd klaar stond voor haar medemens. Haar naam was Lies, maar de pastoor -een groot liefhebber en voorstander van het Latijn- noemde haar altijd liefdevol "Cordula", wat zoveel betekent als "(mijn) hartje": het is het verkleinwoord van "cor" dat "hart" betekent. Lies was zeer verguld met haar nieuwe naam, zo schrijft de pastoor, al bleef ze thuis gewoon Lies heten. Overigens was het in die dagen niet ongebruikelijk dat priesters een grote passie opvatten voor het Latijn: één van Lievaerts opvolgers, pastoor Bus, vertaalde gedichten van Guido Gezelle in het Latijn. Schoolkinderen vertaalden ze vervolgens weer in het Vlaams. Tijdens de feestweek van de protégées gingen de cursussen op het kasteel gewoon door en dus namen de opgeschoten knapen de gelegenheid te baat zich te mengen onder het vrouwelijk schoon uit de Kempen, al was het dan uit de lagere klasse. "Als het op vrouwelijk schoon aankomt, lijkt standsverschil vandaag de dag niet meer te tellen", schrijft de baron enigszins wanhopig. En al probeerden zowel baron als pastoor ontmoetingen te voorkomen, het bloed kroop waar het niet gaan kon en de natuur ging zijn weg. En zo kwam het tot een ontmoeting tussen de luie, maar knappe schilder Jean Louis en de schrandere Cordula. Een ontmoeting die alle betrokkenen nog lang zou heugen. De feestweek ging voorbij, Jean Louis vertrok en Cordula bleef. Maar al snel werd duidelijk dat het meisje zwanger was van de schilder. De knaap ontkende echter in alle talen dat hij de vader was, zelfs nog tijdens de biecht en aangezien er vanzelfsprekend nog niet kon worden beschikt over bloed- of DNA-testen konden de pastoor en de baron niets meer doen. Toen het kind ter aarde kwam -een flinke zoon- werd het als toen te doen gebruikelijk onmiddellijk afgestaan, in dit geval aan een vissersfamilie uit Oostende die wel een paar sterke handen konden gebruiken in de toekomst. Cordula verging bijna van verdriet en vluchtte weg uit de Kempen, waar ze nooit meer werd teruggezien. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid werd het laatst vanuit het Duitse Aken van haar vernomen, zo schrijft de pastoor. De baron wilde het gehele voorval in de doofpot stoppen, wat in hogere kringen wel vaker voorkwam en ging over tot de orde van de dag. Maar dan kende hij pastoor Lievaerts nog niet. Die kon de lieve Cordula niet vergeten. Hij voelde zich zo sterk aangedaan door alles wat er gebeurd was, dat hij behalve vele smeekbeden om Gods genade een dagelijkse herinnering aan deze tragische gebeurtenis wilde behouden. Afkeer van onrecht en zijn liefdevolle inborst deden hem volharden in deze gedachten. Ineens kreeg hij een idee. Hij schreef de baron een brief met een verzoek -ook die brief is in het Jezuitenarchief terug te vinden-, om een monument voor Cordula op te richten, op het domein van het kasteel, om haar nooit en te nimmer te vergeten. De baron dacht er over na, maar vond het toch wel erg veel van het goede. Het was weliswaar een tragisch geval, maar het ging toch ook slechts om een boerenkind, dat moest de pastoor niet uit het oog verliezen. Voor een dergelijk eenvoudig persoon kon hij toch moeilijk een monument oprichten, monumenten waren immers alleen voor werkelijk belangwekkende personen van kerk, adel en staat. Het leek even een hooglopende ruzie te worden, waarbij de pastoor de baron met de volgende tekst uit het Magnificat om de oren sloeg: "Deposuit potentes de sede et exaltavit humiles", wat zoveel betekent als "Hij wierp de machtigen van hun zetel en verhief de onaanzienlijken" En zie dat hielp, want uiteindelijk werd het compromis toch gevonden. Wellicht ook ingegeven door de gedachte dat zijn leven ook niet oneindig was, gaf de baron een beetje toe. Er mocht een monument ter nagedachtenis aan Cordula worden opgericht, maar zonder naam en toenaam, zonder directe verwijzingen naar de aard van de gebeurtenissen en op een plek die uit het zicht van de familie en andere gasten zou blijven. De pastoor dacht lang na en koos toen de plek op het eiland waar het tot op de dag van vandaag nog staat. Hij liet een beeldhouwer komen en samen maakten ze het ontwerp. Al snel waren ze eruit dat het twee figuren moesten zijn, een jonge vrouw en een oudere man in klassieke pose en uitdossing. Wellicht is de classicistische voorstelling, behalve omdat dat aan het eind van de vorige eeuw gebruikelijk was, te verklaren uit het feit dat een te grote gelijkenis met Cordula en pastoor Lievaerts zelf moest worden vermeden. Verder moesten ze tamelijk verdrietig langs elkaar heen kijken, ten eerste om het geleden leed te symboliseren maar ook om de eeuwige onkenbaarheid der dingen te verbeelden. Als attributen gaf hij haar een knapzak mee, symbool voor vruchtbaarheid en een waterketel, symbool van eeuwig vertrouwen op God. Dan moest er een plateauzuil tussen hen in komen zodat er altijd bloemen of andere offerandes op het monument konden worden gelegd. Voor op de plateauzuil liet de pastoor tot slot de zinnen uit het Magnificat zetten, de zinnen die hij ook al had ingezet als wapen tegen de baron: "Deposuit potentes de sede et exaltavit humiles". Toen hij het monument volbracht had, het was eigenlijk vrij snel klaar, zei hij de baron vaarwel, nam afscheid van zijn parochie en vertrok tevens uit de Kempen. Toen de baron zich enige tijd later naar het monument liet varen en het eens van dichtbij bekeek zag hij de Magnificat-strofen staan en gaf onmiddellijk opdracht de tekst over de machtigen en de onaanzienlijken te verwijderen. Het monument liet hij echter verder met rust, maar nooit keek iemand er meer naar. Tot voor kort dus, toen de briefwisseling in Nijmegen werd ontdekt. Cordula's zoon, die aanvankelijk had gedacht dat hij een Oostendse visserszoon was tot zijn stiefmoeder hem van de ware toedracht rond zijn afkomst op de hoogte stelde, heeft ook weer voor nageslacht gezorgd. En deze zoon, Jan Kiekens, voormalig visserman en inmiddels ook al weer op leeftijd, wordt tegenwoordig vaak in zijn boot in Zoersel en omstreken gesignaleerd. Zijn levensdoel, zo zegt hij zelf, is alles in het werk te stellen om zijn grootmoeder alsnog de enig juiste, historische erkenning te geven die haar toekomt. Dan pas heeft hij rust.
Albert ter Heerdt
|
|