Dear visitor, we’re working on a new website. Coming soon!

projects books text cv publications contact

21st Century World Insurance
OHRA, Arnhem, 1997/1998
(niet gerealiseerd)

Het is de bedoeling u een ontwerp te presenteren dat beantwoordt aan de opdracht om met kunst de ingangspartij van het nieuwe gebouw een meerwaarde te geven en dat tevens ingaat op het voornemen van de OHRA een kunstcollectie aan te leggen.
De goede verstandhouding tussen grote bedrijven en beeldend kunstenaars is onmiskenbaar. Grote ondernemingen hebben vaak kunstcollecties en veel kantoorgebouwen zijn opgeluisterd met imposante kunstwerken. De royale houding ten aanzien van de kunst uit zich meestal in de ruime maten van de op het gebouw toegepaste werken. De kunstenaar wordt gefinancierd en als tegenprestatie krijgt het bedrijf een doeltreffend cultureel brevet. Je zou een vergelijking met vroeger kunnen maken, toen de kunst zich ook kon ontwikkelen dankzij de rijke opdrachtgever, die zich op zijn beurt wilde herkennen in het kunstwerk.
Toch is er fundamenteel iets veranderd in die symbiose van weleer. Moest een kunstwerk vroeger een zo helder mogelijke representatie zijn van de macht, religie of ideologie van de opdrachtgever, tegenwoordig moet het dat juist camoufleren. De grote materialistische onderneming wil een imago dat zijn immateriële gevoeligheid, zijn culturele belangstelling en zijn humane gezicht omschrijft. Het ene na het andere kunstwerk siert de entree van kantoorgebouwen met de bedoeling dat het een onderneming representeert die zich heeft losgemaakt van een al te zakelijk, rechtlijnig en opportunistisch beleid. Ons bedrijf heeft gevoel en wil dat uitdrukken, opdat de klant zich prettig voelt.
De opdrachtgever en de kunstenaar zoeken beide naar een gevoelige band met het subjectieve, maar feitelijk bedenken ze samen achteloos een reclamespot die het volk bedondert om het product te verkopen.
Het is opmerkelijk dat dit mechanisme al zo lang doorzien wordt als dat het bestaat. Kunst kan alleen verhelderen, nooit verhullen. Kunstwerken die het toch proberen schieten altijd hun doel voorbij. De leek beleeft niets aan zo’n kunstwerk en de kenner ervaart het als immoreel omdat het zo doorzichtig is welk doel ze dienen. Waar deze kunstwerken de ‘culturele onzekerheid’ van hun opdrachtgevers willen verhullen, wordt dat juist bevestigd.
In ‘Over kunst, ontroering en kritiek’ in De witte raaf nr. 60 zegt Bart Verschaffel dat “voor wie vooruit wil komen in het leven, kunst en literatuur, kortom de cultuur, een begerenswaardig goed is. Tegelijk is die cultuur nieuw en onbekend, nooit vanzelfsprekend, en gevaarlijk gebied. Hoe te weten wat te kopen, wat te zien, wat mooi te vinden? Het wordt beheerst door zoiets ongrijpbaars als ‘goede smaak’. Gestuurd door het angstige verlangen ‘juist’ te zitten, maar gesterkt door de macht van het getal, worden de uitgangspunten van een poëtica en esthetica ontwikkeld.
Op de bodem van de kleinburgerlijke verhouding tot kunst en cultuur ligt onzekerheid…”
Ik zou deze ‘culturele onzekerheid’ willen actualiseren en in relatie brengen met het ‘verzekeringsbedrijf’, dat onzekerheid verzekert.
In het Westen is verzekeren gebaseerd op een economisch principe. De mensen kopen zekerheid en de OHRA verkoopt het. Vele niet westerse culturen verzekeren zich op andere wijze, meestal gebaseerd op levensbeschouwelijke of cultureel bepaalde gronden. Verzekeren, of onzekerheid bestrijden, is een wereldwijd fenomeen met verstrekkende existentiële implicaties.
Mijn voorstel is om een kelder te bouwen in het nieuwe OHRA gebouw om daarin, vanuit een mondiaal perspectief, ‘strijd tegen onzekerheid’ te verzamelen. Niet een collectie uitheemse voorwerpen die elders geleverde strijd tegen onzekerheid representeert, maar een presentatie, een actualiteit; het feitelijke verzekeren in de krocht van de OHRA. Stoffelijke overblijfselen daarvan blijven achter en vormen de collectie. Voor de hoofdentree van het gebouw biedt een glazen dak zicht op deze ondergrondse ruimte van circa 10 x 4 meter, waar een voortdurend gevecht tegen onzekerheid kan worden bekeken.
Het vraagt gedegen onderzoek om te bepalen of er mensen en voorwerpen naar deze ruimte overgebracht kunnen worden zonder verlies van ‘verzekerend vermogen’. Levert bijvoorbeeld een rituele dans in de kelder van de OHRA hetzelfde op als in het oerwoud? Wat is het gevolg van zo’n dislocatie? Hoe verhoudt zich deze rite ten opzichte van een vorige of de volgende? Daarnaast speelt uiteraard ethiek een belangrijke rol. Echter met voldoende antropologische en kunsttheoretische deskundigheid, enthousiasme van de OHRA en goed overleg is het mogelijk hierover verantwoorde en spannende beslissingen te nemen.
De aan de Leidse Universiteit verbonden antropoloog Dr. Raymond Corbey wijst op het antropologische belang dat dit project door zijn kunstmatigheid kan hebben. Hij, het Gemeente Museum Arnhem en enkele geïnteresseerde werknemers van de OHRA vormen inmiddels een team dat zich wil inspannen de OHRA-collectie gestalte te geven.
Er zal een voortdurende reflectie moeten plaatsvinden op de inhoud van de bestaande verzameling en de uitbreiding. Legio handelingen of voorwerpen zullen, hoe mooi ook, niet geschikt of onuitvoerbaar blijken te zijn. Maar uiteindelijk zal er een collectie ontstaan, die misschien niet altijd even esthetisch is – hoewel dat ook zeker niet is uitgesloten –, maar die even actueel is als de OHRA zelf.
De beeldende kunst van grote bedrijven schiet, zoals eerder in deze toelichting is opgemerkt, vaak zijn doel voorbij. Dit ontwerp beantwoordt aan de behoefte van de OHRA om een eigen kunstcollectie aan te leggen, maar vraagt een bijzondere betrokkenheid. De onconventionele wijze van verzamelen biedt een directe reflectie op uw bestaan als verzekeraar, maar appelleert eveneens aan uw eigen gevoel van zekerheid. Of dit kunstwerk het onzekere bestaan daardoor in een breder perspectief zal plaatsen is de vraag. Maar door in deze nieuwe tempel van de zekerheid een kamer van onzekerheid te bouwen, zet de OHRA zijn gebouw zeker in een ander daglicht. Een moderne piramide vereist een moderne crypte.



Bron: Hans van Houwelingen, toelichting ontwerp Hoofdgebouw OHRA, Arnhem, januari 1997.
Noot: De OHRA keurde het ontwerp aanvankelijk goed, waarna het later alsnog werd afgelast.