PSYCHO  Hans van Houwelingen maakte voor de RIAGG Westelijk Utrecht (RWU) vier aluminium vuren met als titel Psycho. De RWU werd vanaf medio 1991 gevestigd in een nieuw gebouw aan de Nieuwe Houtenseweg te Utrecht. De RIAGG zocht een kunstwerk voor dit gebouw. Door het Praktijkbureau Beeldende Kunstopdrachten, later opgegaan in de Mondriaanstichting, werd de RWU in 1992 in contact gebracht met beeldend kunstenaar Hans van Houwelingen. Om te ontkomen aan een te voor de hand liggende kunstvraag en kunstaanbod - het betreft hier tenslotte kunst voor een gezondheidsinstelling- stelde Hans van Houwelingen vooraf een behandelingsprocedure voor. Met dhr Adri Peters directeur RWU en dhr Niek Ferwerda hoofd Afdeling Jeugd RWU werd afgespoken samen het 'vijf gesprekken model' te hanteren. Bij dit in de psychische gezondheidszorg uiterst moderne en efficiënte behandelingsmodel wordt uitgegaan van een volledige behandeling in vijf gesprekken. De rapportage van deze gesprekken werd door de RIAGG verzorgd. Het eindrapport van de hand van dhr Adri Peters is hier volledig afgedrukt. Er is geen artistieke toelichting opgenomen in deze brochure.

(Kees! Deze inleiding moet zich onderscheiden van de andere tekst)


KUNST EN DE RWU / DE RWU EEN KUNSTWERK  De RIAGG Westelijk Utrecht (RWU) betrok in augustus 1991 haar nieuwe centrale vestiging met ca. 180 medewerkers. Hierdoor kwam een eind aan de sinds het oprichtingsjaar van de RWU, 1982, bestaande situatie. Deze bestond eruit dat vanuit 7 panden, verspreid over de stad Utrecht, het RIAGG-werk werd gedaan.
Bij het ontwerpen van het centrale RWU-gebouw in de Utrechtse wijk Lunetten was het RWU-management nauw betrokken. Zo ontstond een gebouw dat aan de wensen van de RIAGG-medewerkers en cliënten voldoet en dat naast criteria van efficiëntie en kwaliteit ook aan bepaalde esthetische maatstaven beantwoordt. Veel gebruikers vinden het, zowel van buiten als van binnen, een mooi gebouw dat een zakelijke, maar warme sfeer uitstraalt.
Tijdens de bouwperiode (90/91) kwam ook de vraag naar voren of de RWU iets zou willen met "kunst". Een veel voorkomend fenomeen tijdens bouwperiodes, naar blijkt. Hier en daar leefden daarover ideeën bij management en medewerkers van de RWU, sommigen wat meer uitgesproken dan andere, maar door de bank genomen ontstijgen deze ideeën niet het niveau van: "het lijkt me wel aardig om wat met kunst te doen, helemaal als je er subsidie voor kunt krijgen". Maar ook zonder subsidie vonden de meeste, toen nog toekomstige gebruikers, het wel aardig om verfraaiing hier en daar aan te brengen, want die functie wordt kunst vaak toebedeeld. Op deze, wat prozaïsche, wijze kwam er een aantal initiatieven tot stand welke overigens geheel uit het eigen RWU-budget bekostigd werden.
KUNST IN HET GEBOUW  In de eerste plaats - en je kunt erover twisten of dit kunst betreft - werd besloten de huisstijl van de RWU te veranderen bij de ingebruikname van het nieuwe RWU-gebouw. Het nieuwe logo van de RWU in de kleuren van het interieur, het daarop gebaseerde schitterende vormgegeven drukwerk van beleidsplan, jaarverslagen, nota's, folders, programma's voor symposia, de grote naamaanduiding op het dak van het gebouw, de zuil bij de oprit welke bij de opening werd onthuld, alle van de hand van grafisch ontwerper Hans Hoekstra, zijn in de ogen van het RWU-management op zijn minst te beschouwen als functionele kunst.
Verder werd bij de opening van het gebouw een expositie van grafische kunst georganiseerd welke in de diverse openbare ruimten werd opgehangen, in samenwerking met de LOGA (landelijk overleg grafische artiesten).
Daarnaast kregen 3 kunstenaars opdracht om een beperkte oplage te drukken van nog niet eerder verschenen grafisch werk.
Een in RWU-ogen uiterst functionele kunstvorm is een  trompe l'oeuil op de muur  van een wachtkamer: een glooiend heuvellandschap, aflopend naar het water. Binnen de RWU vonden de meesten het resultaat zeer geslaagd. Is dit kunst? Het WVC-praktijkbureau oordeelde van niet. Omdat de opdrachtgever teveel invloed had gehad en de kunstenaars te weinig eigen inbreng hadden? Omdat het teveel een kopie van een foto is? Omdat het teveel leek op de werkelijkheid? Het stuk is echter met grote toewijding en vakvrouwschap gemaakt, cliënten kunnen het, blijkens de reacties, zeer waarderen. Maar wat is kunst. Dat vroegen we ons als RWU-directie ook af toen we vonden dat er nog iets van kunst aan de buitenkant of in de directe omgeving van het nieuwe gebouw moest komen.
KUNST BIJ (BUITEN) HET GEBOUW  Een voor de hand liggende plek vonden wij de noordkant van het gebouw. Die plek wordt door alle gebruikers van het gebouw, medewerkers en cliënten gepasseerd. Verder is daar druk verkeer van aan- en afrijdende fietsers en automobilisten die daar op weg van en naar hun werk langs komen. Ook alle treinreizigers die van het NS-station Utrecht - Lunetten gebruik maken komen langs die plek. Gebouw en omgeving hebben op die plek eveneens bijzondere kenmerken. Er "stroomt" een, na de bouw, ingedamd stroompje dat onderdeel vormt van de oude waterlinie rond Utrecht en dat om die reden ook niet gedempt mocht worden. Het RWU-gebouw is gedeeltelijk over dit stroompje heen gebouwd en heeft verder nog de bijzonderheid dat de noordelijke kant bestaat uit een losstaande driehoekige kolom, even hoog als het gebouw zelf, met metalen staven verbonden aan de stomp eindigende noordkant.
Als RWU directie leek ons deze plek, vanwege de vele passanten en vanwege de specifiek ruimtelijke kwaliteit zeer geschikt voor een kunstobject. Zelf dachten we in eerste instantie aan een kunstuiting welke iets met het water ter plekke zou doen.
Met deze uitgangspunten wendden wij ons tot het WVC-praktijkbureau in Amsterdam, een uitvoerend bureau van het Ministerie van WVC, dat kunstenaars in contact brengt met opdrachtgevers en dat beoordeelt of ingediende ontwerpen subsidiabel zijn in het kader van de "1 procentsregeling" dan wel een analoge regeling.
Er vonden enige gesprekken plaats tussen de heer Govert Grosfeld van het WVC-praktijkbureau en van de kant van de RWU: Niek Ferwerda en ondergetekende. Grosfeld bracht ons daarna in contact met Hans van Houwelingen. Van Houwelingen gaf meteen al in het eerste gesprek te kennen dat hij alleen in overleg en na kennisneming van de wereld van de opdrachtgever tot een eventueel ontwerp zou willen komen. Voorafgaand aan zijn beslissing of hij er überhaupt wel brood (en heil) in zag stelde hij de voorwaarde om d.m.v. een serie gesprekken, waarvan de RWU de verslaglegging op zich zou moeten nemen, een aantal kernvragen met ons te willen bespreken. Het WVC-praktijkbureau bestempelde deze gesprekkenronde als een belangwekkend en interessant experiment, omdat het kennelijk weinig voorkomt dat opdrachtgever en kunstenaar bereid worden gevonden om zo serieus de vraag te beantwoorden of en hoe hun ideeën en wensen bij elkaar kunnen komen.  
DE GESPREKKEN, DE PERIODE MAART-SEPTEMBER 1992  Vervolgens vonden in de periode maart t/m september 1992, 5 gesprekken plaats tussen kunstenaar Hans van Houwelingen en RWU-vertegenwoordigers Niek Ferwerda en Adri Peters. Van deze gesprekken zijn afzonderlijke verslagen gemaakt.  In dit verslag zal ik beschrijven wat er in mijn optiek in deze gesprekken is gebeurd.
WAT IS KUNST?  Deze vraag heb ik mijzelf de laatste jaren niet zo vaak meer gesteld. Is het een uiting van een creatief proces bij een individu of een groep door middel van een object, dat een unieke kwaliteit heeft, dat iets volstrekt origineels heeft, dat de realiteit verandert en ombuigt naar iets met een meerwaarde? Heeft kunst een boodschap, een betekenis, een richting? Of is kunst waardevrij? Gaat het om de esthetische waarde, of is kunst die alleen maar mooi is geen kunst? Is kunst een symbool voor iets anders? Voor mij ligt de waarde van die gesprekken in ieder geval in het feit dat ik over dit soort dingen weer eens ben gaan nadenken, wat overigens niet wil zeggen dat ik er veel nieuwe antwoorden op heb gevonden. Nog steeds denk ik dat het al die dingen kan zijn: kunst met boodschap, zonder boodschap, wel symbool, geen symbool, "entartete Kunst", ga maar door. En ik vind (nog steeds) dat iets alleen maar kunst is als het een zekere unieke kwaliteit heeft en als het t.o.v. de werkelijkheid (wat was dat ook alweer?) een zekere meerwaarde vertegenwoordigt. Maar als zodanig vind ik het RWU-gebouw ook een vorm van kunst, iets wat kunstenaar Hans van Houwelingen vast niet met me eens is.
MAAR IK HEB ER OOK GEEN V ERSTAND VAN  Een aardige kant van Hans van Houwelingen is dat hij opmerkingen over "verstand van kunst" flauwekul vindt. Hij praat met een zeker dédain over collega's die vinden dat opdrachtgevers zich nergens mee te bemoeien hebben. Van Houwelingen vindt dat de opdrachtgevers te vaak worden gezien als geldschieters die niet de unieke inzichten van de kunstenaar mogen verstoren of betwisten. Daarmee wordt de opdrachtgever incompetent verklaard en betrekt de kunstenaar een ivoren toren van artistieke deskundigheid welke hem, volgens Van Houwelingen, niet past. Opdrachtgevers kunnen zich wat hem betreft nooit teveel met de opdracht bemoeien. Wat dat betreft zijn er wel parallellen met het hulpverleningsproces binnen de RIAGG. Er is een tijd geweest dat de hulpverlener alkundig en alwetend was en de patiënt in zijn onmondigheid en incompetentie bewonderend diende op te kijken naar zijn hulpverlener. Zeker in de psychiatrie is dat lang zo geweest. Gelukkig heeft in de geestelijke gezondheidszorg de afgelopen decennia het besef post gevat dat de cliënt, de psychiatrische patiënt veel competente kanten in zich heeft en dat de hulpverlening alleen maar kans van slagen heeft als cliënt en hulpverlener deze competente kanten weten te ontdekken en gebruiken.
In de gesprekken met Hans van Houwelingen ontstond eenzelfde soort beweging. Wij mochten er als opdrachtgevers zelf iets over zeggen, sterker nog: we hadden er best verstand van, al hadden we er dan geen verstand van. Tegelijk werd hiermee ook zichtbaar hoe Van Houwelingen tegen kunst aankijkt: niet als iets waar alleen de kunstenaar verstand van heeft. Evenmin als iets onbegrijpelijks waar alleen een deskundige, elitaire incrowd iets van begrijpt of over mag oordelen. Aan de andere kant mag kunst van hem niet afglijden tot een vorm van populisme. Aan opdrachtgever en kunstenaar worden daarom hoge comminucatieve eisen gesteld.
WAT WIL DE RWU NU EIGENLIJK EN WAAROM  Dat "de RWU" niets kan willen was al snel bekeken vanuit het argument "zoveel hoofden, zoveel zinnen". Wat wilden de RWU-representanten dan eigenlijk en waarom.
Vaak, zo hield Van Houwelingen ons voor, willen opdrachtgevers dat er een soort extra komt, de slagroom op het gebouw, het oprapen van de steek die de architect heeft laten vallen. Dat willen wij duidelijk niet. Wat ons betreft is het gebouw mooi zoals het is en hoeft daar geen verfraaiing of extra toefje aan te worden aangebracht. Wel, zo realiseerden wij ons, willen wij graag dat er een markering van de eerder genoemde plek aan de noordkant plaatsvindt, d.m.v. een markant uniek object dat deze plek een meerwaarde geeft.
Zou dit kunstobject dan ook een bepaalde symboolwaarde moeten hebben? En waarvan zou het een uitdrukking moeten zijn? Van de creatieve geest van Van Houwelingen? Van de innerlijke wereld van Van Houwelingen? Van het werk van de RWU? Van de betekenis van het leven? Daar hadden we nog niet zo bij stilgestaan. We werden het erover eens dat we uiteraard een creatieve geest als Van Houwelingen nodig hebben, maar het kunstwerk zou niet de "allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie" moeten zijn, maar een uiting van iets anders. Als meest markant voorbeeld van wat wij bedoelden kwam ons het beeld van Zadkine in Rotterdam voor de geest, "De verwoeste stad". Dat beeld is echter specifiek met de oorlog en de geschiedenis van Rotterdam verbonden. Een dergelijk beladen historie en achtergrond zijn bij de RWU met een geschiedenis van net 10 jaar niet voorhanden.
Lang is toen gesproken over het werk van de RWU, het hoe en waarheen van de hulpverlenings- en preventieactiviteiten. Zelfs het beleidsplan, "Het Vooruitzicht", van de RWU is door Van Houwelingen bekeken. Wat hem een tijd geleden aangesproken had was een interview met ondergetekende in De Volkskrant, begin 1992, dat als titel droeg "De RIAGG als barometer van de samenleving". Als er een plek is waar psychische en intermenselijke knelpunten in de huidige samenleving geconcentreerd zichtbaar worden is dat wel de RIAGG. Zoals het in "Het Vooruitzicht" staat: "De cliënten die de hulp van de RWU inroepen gaan in het algemeen gebukt onder ernstig psychisch lijden. In dit bestek laat het soort problemen zich slechts in globale categorieën beschrijven: ontwrichte relatie- en gezinsproblemen, depressies, permanente angsten, identiteitsproblemen, psychosomatische klachten, posttraumatische ervaringen en persoonlijkheidsstoornissen. Bij de cliënten die zich bij het Krisiscentrum aanmelden is significant vaker sprake van: bizarre ervaringen en gedachten, suïcideneigingen, openlijke agressie en dreigende ontsporing (decompensatie)."
DE NIET BESTAANDE BOODSCHAP VAN DE RIAGG  Hoe, zo vroeg Van Houwelingen, maken jullie die mensen beter? Wat moeten mensen doen om psychisch gezond te blijven? Wat doen jullie met de stand van de barometer? Wat is de boodschap van de RIAGG?
Ik ben van mening dat de RIAGG geen eenduidige boodschap heeft. Wij helpen mensen om meer inzicht te krijgen in hun problemen en zichzelf, om zelf een oplossingsrichting te vinden. Wij oefenen met nieuwe gedragsmogelijkheden zodat mensen zich adequater in de samenleving kunnen bewegen. Wij verstrekken medicatie zodat mensen minder door hun (negatieve) gevoelens worden overheerst. Wij verbeteren de sociale vaardigheid van mensen zodat ze zich met hun psychische handicap kunnen handhaven.
Maar waar naar toe? Is er een doel in het leven? Bestaat er een collectief doel? In onze visie niet. Daarin verschilt het RIAGG-werk ook wezenlijk van een kerkgenootschap of een levensbeschouwelijke organisatie. Als cliënten een levensbeschouwing hebben, wordt deze gerespecteerd en doorgaans ook van binnen uit begrepen, maar de RIAGG en het RIAGG-werk is niet gebaseerd op een levensbeschouwing. En ook (en juist) daarmee is de RIAGG aan te merken als barometer van de samenleving in de 90-er jaren.
Werd tot de jaren '70 de samenleving gekenmerkt en ook gestuurd vanuit confessionele en levensbeschouwelijke organisaties, werd ook de hulpverlening en de geestelijke gezondheidszorg voor een belangrijk deel vanuit confessionele instanties gegeven, thans leven wij in een waardevrije, ontkleurde wereld.
Daarna hebben wij besproken of de levensidealen van mensen nu zijn gereduceerd tot materieel bezit, een goede gezondheid en prettige sociale relaties. Uiteraard zijn ook de individualisering, de leegte, de sterk groeiende wereldpopulatie en de vervuiling aan de orde geweest. Over dit type gedachten zijn wij het niet eens geworden. Voor Ferwerda en mij is het "waardevrije" leven meer dan brood alleen, evenmin zijn wij cultuurpessimisten of vinden wij dat het Avondland aan de rand van de "Untergang" staat. Noch hebben wij de gedachte dat het RIAGG-werk vanuit een soort gelatenheid of vanuit het model "pappen en nathouden" plaatsvindt. Integendeel, uit recent onderzoek onder RIAGG-medewerkers is o.a. naar voren gekomen dat in veel hulpverleningsprocessen de hulpverleners met hoog gestelde doelen aan het werk gaan en eerder over teveel dan te weinig idealisme beschikken.
Dus: de RIAGG heeft geen boodschap. Maar wel weerspiegelen zich in het RWU-gebouw in hoge concentratie allerlei maatschappelijke knelpunten in de individuele psyche. En voor elke individuele cliënt wordt getracht een proces in gang te zetten waarin "iets gebeurt".
Wat er gebeurt, is voor iedereen verschillend, waartoe dat leidt is maar gedeeltelijk voorspelbaar en voor iedereen anders.
Deze concentratie van processen van bewustwording en verandering en acceptatie, zonder een eenduidige, ideologisch gekleurde richting vormde en essentieel aanknopingspunt voor Hans van Houwelingen.
HET VUUR EN DE VLAMMEN  Tijdens één van de gesprekken deed Van Houwelingen de uitspraak: "een opvallend kenmerk van het post-modernisme is de angst om moralistisch te zijn".
Dat had hem ook getroffen tijdens de gesprekken: de niet bestaande boodschap van de RIAGG en tegelijk een vorm van idealisme. Enerzijds een soort registratie-instrument (barometer), anderzijds een waardevrij instrument om verder te komen in het leven: een katalysator, een vluchtheuvel.
Op het moment dat Van Houwelingen met deze conceptualisatie kwam, zagen Ferwerda en ik de bui al hangen: grote barometers aan het gebouw, vluchtheuvels voor de deur of nog erger. Hij kwam evenwel met een voorstel dat ook wel even wennen was, maar in ieder geval dit concretistische niveau oversteeg. Van Houwelingen raakte in de ban van het vuur. Althans van wat er in het vuur gebeurt. Verbranding is een boeiend proces waarin van alles gebeurt. Het is onduidelijk wat er overblijft, of het loutert. Pas nadat het vuur gedoofd is zal duidelijk worden of de aarde vruchtbaar is geworden of door chemicaliën verpest. Hoe het proces verloopt hangt grotendeels af van de aard van het brandende materiaal en veel minder van degene die het aansteekt: associaties met de uit de as herrezen Phoenix. In die zin brandt het binnen het gebouw op vele plekken. In een andere zin is de RIAGG voor de samenleving een registratief instrument van de brand binnen de samenleving, want dat het brandt is wel duidelijk.
Op basis van deze associaties deed Hans van Houwelingen het volgende voorstel: ik maak vier "vlammen" van ca. 1.80 meter hoog  in gegoten aluminium en laat deze plaatsen ter hoogte van de 1e, 2e, 3e en 4e verdieping, boven elkaar in de ruimte tussen de losstaande "kolom" en de stompe punt aan de noordkant van het gebouw. Vanaf het station of vanaf de zuidelijke kant komend zie je die vlammen staan. Vanaf de noordkant kijkend zie je ze niet, wat dan vallen ze weg achter de "kolom". Enerzijds dus geïntegreerd in, opgaand in het gebouw, anderzijds in perspectief eruit springend.
Niek Ferwerda en zeker ikzelf moesten even slikken. We zagen de commentaren voor ons: de RWU staat in brand, ze weten tegenwoordig van gekkigheid etc.. Dat werd ook bevestigd door enkele relevante personen, onder wie de architect van het gebouw, aan wie we het een en ander voorlegden. Associaties met de brandweer en kerstbomen werden snel aangeleverd. Desondanks zijn Ferwerda en ik van mening dat het door kan gaan. Dit soort commentaar zal je altijd houden en tenminste wordt ermee bereikt wat Van Houwelingen ook over zijn project in  het Kleine Gartmanplantsoen als één van de doelstellingen omschreef: mensen gaan zich afvragen wat die dingen hier doen op deze plek. Of ook bereikt wordt dat zij dan gaan nadenken over wat zij zèlf op die plek doen, betwijfel ik. Maar dit soort moralistische doelstellingen hoeven er wat mij betreft ook niet bij betrokken te worden.

Adri Peters
Utrecht, november 1992/april 1995

Deze brochure verschijnt ter gelegenheid van de onthulling van psycho, een kunstwerk van Hans van Houwelingen.
Psycho is ontstaan in opdracht van RIAGG Westelijk Utrecht.
Ontwerp1992: Hans van Houwelingen.
Uitvoering 1995: Hans van Houwelingen.
Financiering: RIAGG Westelijk Utrecht, Mondriaan Stichting, Het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht.
Onthulling: Koos Dalstra. Psycho 2, vier verhalen over het vuur en de brandweerman die altijd te laat komt. Een performance op het dak van de RIAGG over de neurose van het moderne leven.
Deze uitgave is mogelijk gemaakt door RIAGG Westelijk Utrecht, Mondriaan Stichting.
Ontwerp: Kees Reniers.
Druk: ?
Fotografie:Thijs Quispel, Guus Taschner.
Met dank aan: Bronsgieterij Volkers, Klaassen Bouwmaatschappij b.v.