projects books text cv publications contact

Blauw Jan
Kleine-Gartmanplantsoen, Amsterdam 1991/1994

In het Amsterdamse Kleine-Gartmanplantsoen kruipen veertig levensechte varanen, agames en leguanen op het gras tussen de bloemen of zitten bewegingsloos tussen
een chaos van fietsen en brommers, die aan de omheining van het parkje zijn vastgeketend.
De bronzen beesten concentreren zich op twee stedenbouwkundig belangrijke punten; bij de oversteek naar het Max Euweplein en tegenover de brug over de Lijnbaansgracht. Ze wekken de indruk dat er op deze plaatsen iets aan de hand is, hoewel ze ook zo weg kunnen schieten.
Op een schijnbaar willekeurige plek in het gras tussen de bloemen zit een put waarin het water van de Lijnbaansgracht is te zien en de stedenbouwkundige stand van zaken zichtbaar wordt.
Er ontstond een ingewikkelde en chaotische stedenbouwkundige situatie toen de Lijnbaansgracht in 1913 werd overkapt. Het Kleine-Gartmanplantsoen, dat daar bovenop werd aangelegd, is geen plantsoen, maar eigenlijk een met gras, struiken en bloemen getooide maskering van een banale doorbreking van de Amsterdamse grachtenstructuur. Het doel was de foute locatie van de Stadsschouwburg, die over de Lijnbaansgracht is gebouwd, te camoufleren, maar het werd een stedenbouwkundig probleem op zich. Menig deskundige heeft er zich nadien het hoofd over gebroken en menigmaal werd vergeefs een poging gedaan de zaak op orde te brengen.
Aan de beeldende kunst is nu de opdracht om een ruimtelijke verbetering tot stand te brengen en het volk te manipuleren. Het ontwerp moet het plantsoen als stedenbouwkundig element verduidelijken en het een rustgevend, groen, karakter geven. Het plantsoen mag geen verzamelplek voor mensen worden, evenwel moet de aanlooproute naar het casino worden versterkt.
Het karakter van het aangrenzende Leidseplein wordt vooral bepaald door de mensen die er actief zijn; de hardware van het plein is daaraan ondergeschikt. Het gaat er om
wat de stad te bieden heeft om de mensen te laten leven, maar het leven bepaalt de stad. De stad genereert een voortdurende mentale beweging, waardoor het moeilijk is gestalte te geven aan de ‘stilstaande plek’.
Het Kleine-Gartmanplantsoen is een klein parkje aan de rand van dit drukste plein van Amsterdam. Toch moet het zich waar maken als plantsoen, natuur zijn, rust geven en zich min of meer isoleren van de omgeving. Het plantsoen moet zich onttrekken aan de stad, maar de stad staat dat niet toe. Het probleem kan worden opgelost als het plantsoen zijn eigen beweging genereert; de dynamiek van de stad in zich opneemt zonder de functie van tuin te verliezen. Veertig hagedissen doen daartoe een poging en brengen deze paradoxale plek tot leven. Het zijn eerder hagedissen dan sculpturen, veel en verspreid over het hele plantsoen, voortdurend in beweging, de chaos bevestigend. Een diepe put in het plantsoen doet hun herkomst, hun aanwezigheid en hun verdwijnen vermoeden. Ze doen geen ruimtelijke uitspraak, maar ze zetten de plek onder spanning.
De kroegen, de disco’s, de restaurants, de Balie, Paradiso, de Melkweg, de Stadsschouwburg, de bioscopen, de lichtreclame, de taxi’s en de trams, de straatartiesten en de hordes deinende toeristen maken het Leidseplein tot wat het is. Toch is het een mooi plein, niet vanwege zijn gebouwen, maar omdat het tot de verbeelding spreekt. Het blinkt uit door lelijkheid en leven. Hier kijkt niemand naar gebouwen, maar gaat ieder uit zijn dak. Vrijwel alle gebouwen rond het plein hebben dan ook de functie om de geest te verruimen en de verbeelding aan te spreken.
In het Kleine-Gartmanplantsoen moet men zich verbeelden uit de stad te zijn gestapt. Hier is ruimte om rustig te genieten, de natuur te bestuderen en om te bekomen van de drukte. “Groen en bloemen trokken de Amsterdammer. Hoeveel tuinen was de stad niet rijk, waar men heen trok om de vrije dagen door te brengen. Artis, Natura Artis Magistra deftig gezegd, had reeds in de 17e eeuw een beroemde voorganger in Blauw Jan, de fraaie dieren en vogelverzameling van Jan Westerhof.”1
Hagedissen passen zich aan de omstandigheden aan. Ze overleven de winter en nemen de temperatuur en kleur aan van de omgeving. Soms verliezen ze hun staart en sterven dan niet. Door deze eigenschappen zijn ze van oudsher het symbool van het eeuwige leven. Ze vertegenwoordigen zowel dood als wederopstanding, in een voortdurend veranderende wereld. Dat is de verbeelding van het Leidseplein: een voortdurend veranderend toneel, met een steeds veranderende voorstelling, opgevoerd door steeds weer andere mensen.
Overdag een paradijs, is het plantsoen s’nachts een onheilspellend donker gat waarin, door nevels van alcohol en drugs, een glimp kan worden opgevangen van veertig
hagedissen; een stedelijk delirium. Precies waarom Jan Westerhof reeds in de 17e eeuw bekend stond als Blauw Jan.


Bron: Hans van Houwelingen, toelichting
ontwerpopdracht Kleine-Gartmanplantsoen. Amsterdam 04-09-1991
1. Marjorie H.Bottenheim / A.M. de Waal, Uitgaan in Oud-Amsterdam, 1958.